Fragment “Maar buiten is het Feest” van Arthur Japin

Op de Manuscripta van begin september blies Arthur Japin de zaal omver met een lezing uit zijn nieuwste boek “Maar buiten is het feest”. Binnenkort komen we -waarschijnlijk- met een mooie wedstrijd rondom deze titel en natuurlijk onze recensie.

In afwachting daarvan wat voorpret: een leesfragment:

Zonne

Voor de zoveelste keer deze ochtend loopt ze eraan voorbij, badkamer uit, kledingkast in – straal erlangs! –, inloopkast uit, slaapkamer binnen, te druk met wat een mens bij zo’n gelegenheid nou aan moet, verdiept in een hele vlucht gedachten, alles om maar niet stil te hoeven staan bij de vragen die zo meteen op haar zullen worden afgevuurd, alle beelden die daardoor zullen opdoemen, de antwoorden die zij zal moeten formuleren, te opgewonden nu om even te gaan zitten met een croissantje en de krant. Toch ligt die op de mat, een tijdbom die om half zeven door de krantenjongen is bezorgd. De eerste van een dagelijkse reeks. De komende week zal er geen voorpagina zijn waar zij niet op staat. Zelf heeft Zonne er nog geen letter van gezien, maar de impact die het ochtendblad zo meteen op haar zal hebben, is zo zeker en onafwendbaar alsof het lag te tikken op de mat.

In de keuken staat haar vriend in zijn badjas en zet koffie. ‘Wat denk je?’ Ze houdt eerst het ingetogen grijze setje dat ze in haar linkerhand heeft voor haar lichaam, dan met haar andere hand een fleurige jurk. ‘Kleur natuurlijk,’ zegt Sander, ‘het is geen begrafenis.’ ‘Ik wil vooral niet te vrolijk.’ Ze bestudeert de stof. ‘Is kleur wel geloofwaardig?’ ‘Nee, dat jij iets grijzigs in de kast hebt hangen, dat zal iemand geloven!’ Hij ziet haar niet vaak twijfelen, zeker niet over zoiets onbenulligs, maar ze houdt de kleren nu op armlengte en blijft ze om en om bekijken. ‘Maakt niet uit, lief.’ Hij slaat zijn armen om haar heen en kust haar. ‘Elke ruimte die jij binnengaat krijgt kleur.’ Kou vult de kamer. Hij heeft de tuindeuren opengeschoven, gooit zijn badjas over een ligstoel, neemt een aanloop en duikt het zwembad in. Blauw is een kleur en toch voldoende ernstig. Zonne heeft haar keus gemaakt. Ze pakt de zijden jurk uit de kast: kobaltblauw, driekwart net over de knie, geen tierelantijnen en, vandaag belangrijk, hooggesloten. Als dit een rechtbankdrama was, zou de costumière met niets beters zijn komen aanzetten.

Wachtend tot het strijkijzer op stoom is kijkt ze uit over de tuin. Sander trekt zijn baantjes. Door de nevel die boven het verwarmde bad hangt ziet zij dat lichaam, dat haar geleerd heeft lief te hebben, door het water glijden. Wanneer hij keert verdwijnt hij telkens heel even uit zicht, zinkt naar de bodem en duikt dan met dubbele kracht op uit de golven, schouders, billen, benen in één vloeiende beweging, zodat het even lijkt alsof hij zweeft. Dan schiet hij in de andere richting weg. Een mannenlijf. Zij kan ernaar kijken en ervan genieten.

Dat is op zich een wonder.

Hij hijst zich op de rand, komt even op adem met zijn handen in zijn zij, loopt dan het terras over naar de schuur, zet daar de golfslag uit en bedient de schakelaar van de afdekkap, die uit de vloer tevoorschijn klapt en langzaam over het bad begint te schuiven. Zo  staat hij daar, die man van haar, naakt in een kale februarizon, te wachten tot het water onder het plastic is verdwenen. Warm is hij in de koude lucht, omhuld door kleine, goudgeel oplichtende wolkjes die van zijn armen en zijn dijen slaan. Lang heeft Zonne gedacht dat dit haar grootste overwinning was, plezier te kunnen hebben in de liefde. Dat dit haar strijd was, met een ander samen ongeremd te kunnen zijn, dat ze die slag had geleverd en daarmee had gewonnen. En ineens, na zoveel jaren, blijkt dat de eigenlijke krachtmeting pas staat te beginnen.

De damp die van zijn huid slaat. Zij wil niets liever dan die wolk binnengaan, ze zou zich erdoor willen laten omhullen, er helemaal in opgaan en alles verder laten zitten en afbellen, en dat zou ze doen ook als er geen ander leven mee gemoeid was. Van het ene moment op het andere lijkt Sander afgekoeld. Hij rilt, rent naar zijn badjas, slaat hem om, en haast zich naar binnen. Het lichaam dat zij in de spiegel ziet is iets bijzonders. Lang was het een oorlogszone, nu is het een monument. Zonne laat haar blik erover glijden. Tegenwoordig kan zij dat. Het is haar lichaam. Zij heeft geleerd afstandelijk te kijken naar dingen die je in een spiegel ziet. ‘Het is mooi.’ Dit zegt ze in zichzelf. Tégen zichzelf. Af en toe doet ze dat. Hiermee is zij op een dag begonnen. Omdat het nodig was om dat een keer te horen. Dat lichaam had weleens iets liefs verdiend. Sindsdien herhaalt zij deze woorden af en toe. Wanneer het nodig is. Het is niet zomaar een vrouwelijk lichaam. Het is daar een uitvergroting van, en de essentie. Wie erin slaagt dit lichaam te ontcijferen, zou eraan kunnen aflezen wat het betekent om een vrouw te zijn.

 


Lees “Maar buiten is het feest” van Arthur Japin zelf!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.