Vrijdags Voorproefje: “In het water” – Paula Hawkins (bekend van “Het meisje in de trein)

“Het meisje in de trein” van Paula Hawkins was een enorme hit. Op 2 mei verschijnt het volgende boek van deze schrijfster: “In het water”. Dit boek belooft een soortgelijke psychologische thriller te zijn. Het boek gaat over een alleenstaande moeder, genaamd Nel, die dood wordt gevonden in een rivier. Kan gebeuren, ware het niet dat dit water meer doden op zijn geweten heeft. De voorafgaande zomer pleegde een tienermeisje er zelfmoord. Deze voorvallen doen de locals denken aan de dodelijke geschiedenis van deze rivier.

Nieuwsgierig of dit boek wat voor jou is? Lees dan het onderstaande leesfragment.


Lees “In het water” zelf!


2015

Jules

Je wilde me wat vertellen, hè? Wat was het eigenlijk? Ik heb al een tijdje mijn hoofd niet meer bij het gesprek. Ik kon me niet meer concentreren, dacht aan andere dingen, was ergens anders mee  bezig,  ik  luisterde  niet  en  raakte  de  draad  kwijt.  Nou,  je  hebt mijn aandacht weer weten te trekken. Alleen heb ik wel het gevoel dat ik een paar belangrijke dingen heb gemist.
Toen ze het me kwamen vertellen, was ik kwaad. Aanvankelijk was ik opgelucht, want als er opeens twee politiemensen op de stoep  staan,  terwijl  jij  net  je  treinkaartje  aan  het  zoeken  bent  omdat je op het punt staat om naar je werk te gaan, slaat de angst je om het hart. Ik was bang dat er wat was gebeurd met iemand om wie ik geef: mijn vrienden, mijn ex, mijn collega’s. Maar om hen  ging  het  niet,  zeiden  ze,  het  ging  om  jou.  Dus  was  ik  heel  even opgelucht, maar toen vertelden ze me wat er was voorgevallen, wat je had gedaan, dat je het water in was gegaan, en toen werd ik laaiend. Laaiend, maar ook bang. Ik was aan het bedenken wat ik tegen je zou zeggen zodra ik daar aan zou komen; dat ik wist dat je het alleen maar had gedaan  om  mij  te  pesten,  om  me  van  streek  te  maken  en  bang,  om mijn leven overhoop te halen. Om mijn aandacht te trekken en me te krijgen waar je me hebben wilde. Nou, het is je gelukt hoor, Nel. Ik bevind me nu op de plek waar ik nooit naar terug wilde keren, belast met de zorg voor je dochter, bezig om jouw rotzooi op te ruimen.

Maandag 10 augustus

Josh

Ik werd ergens wakker van. Ik stond op om naar de wc te gaan en zag dat de slaapkamerdeur van mijn ouders openstond. Toen ik naar binnen keek, zag ik dat mam niet in bed lag. Pap lag zoals altijd te snurken. Op de radiowekker zag ik dat het acht over vier was. Ik nam aan dat ze beneden zou zijn. Ze is een slechte slaper. Allebei nu wel, maar hij neemt zulke zware pillen dat je keihard in zijn oor kunt gillen en dan nog zou hij niet wakker worden. Ik  liep  heel  stilletjes  naar  beneden,  want  normaal  gesproken kijkt ze een tijdje naar van die megasaaie reclames op de tv voor apparaten waardoor je kunt afvallen of waarmee je de vloer kunt schoonmaken  of  groenten  kunt  snijden  op  heel  veel  verschillende manieren, en valt ze in slaap. Maar de tv stond uit en ze zat niet op de bank, dus moest ze wel de deur uit zijn gegaan. Dat  heeft  ze  wel  vaker  gedaan,  voor  zover  ik  weet,  maar  ik  houd verder niet bij waar ze de hele tijd zitten. De eerste keer zei ze dat ze wat was gaan wandelen om rustig te worden, maar de daaropvolgende keer dat ik wakker werd en merkte dat ze er niet was, keek ik naar buiten en zag ik dat haar auto niet zoals altijd voor de deur stond geparkeerd.

Ze zal op die momenten wel langs de rivier gaan wandelen of naar Katies graf gaan, denk ik, want dat doe ik soms ook. Maar dan niet midden in de nacht. Ik ben bang in het donker, en het ís ook eng, want Katie had hetzelfde gedaan: ze was midden in de nacht opgestaan, naar de rivier gelopen, en was nooit meer teruggekomen.  Ik  snap  wel  waarom  mam  het  doet:  zo  kan  ze  dicht bij Katie zijn. Ze zit ook weleens in Katies slaapkamer. Dat weet ik, omdat Katies kamer aan de mijne grenst en ik mam kan horen huilen. Ik zat op de bank op haar te wachten, maar ik moet in slaap zijn gevallen, want toen de deur openging, was het al licht buiten  en  gaf  de  klok  op  de  schoorsteenmantel  aan  dat  het  kwart  over zeven was. Mam deed de deur achter zich dicht en haastte zich de trap op naar boven.

Ik  ging  achter  haar  aan.  Ik  bleef  voor  hun  slaapkamerdeur staan en keek door de kier naar binnen. Ze zat op haar knieën aan  paps  kant  naast  het  bed  en  ze  was  rood  aangelopen,  alsof  ze had gerend. Ze haalde zwaar adem en zei: ‘Wakker worden, Alec, wakker worden.’ Ze schudde hem heen en weer. ‘Nel Abbott is dood,’ zei ze. ‘Ze lag in het water. Ze is erin gesprongen.’ Ik geloof niet dat ik iets zei, maar ik moet toch geluid hebben gemaakt, want ze keek me aan en kwam haastig overeind.

‘O, Josh,’ zei ze, terwijl ze naar me toe liep. ‘O, Josh.’ De tranen stroomden  over  haar  wangen  en  ze  drukte  me  tegen  zich  aan.  Toen  ik  me  lostrok,  huilde  ze  nog  steeds,  maar  ze  glimlachte  ook. ‘O, schatje toch,’ zei ze. Pap  kwam  overeind.  Hij  wreef  in  zijn  ogen.  Het  duurt  altijd  eeuwen  voordat  hij  echt  wakker  is.  ‘Ik  snap  er  niks  van.  Wanneer… Is het vannacht gebeurd? En hoe weet je dat?’ ‘Ik ging melk kopen,’ zei ze. ‘En in de winkel hadden ze het erover. Ze hebben haar vanochtend gevonden.’ Ze ging op het bed zitten en barstte weer in snikken uit. Pap knuffelde haar, maar hij keek mij met een eigenaardige blik in zijn ogen aan. ‘Waar was je?’ vroeg ik mijn moeder. ‘Waar was je naartoe?’
‘Naar de winkel, Josh. Dat zei ik toch net?’
Je  liegt,  wilde  ik  zeggen.  Je  was  uren  weg,  je  ging  niet  even  melk halen. Dat wilde ik eigenlijk zeggen, maar ik deed het niet, want mijn ouders zaten op bed elkaar aan te kijken, en ze zagen er blij uit.

Dinsdag 11 augustus

Jules

Ik weet het nog. Achter in de camper, de kussens in het midden opgesteld om de grens aan te geven tussen jouw en mijn gebied. We gingen die zomer naar Beckford, jij was helemaal opgewonden en zenuwachtig – je stond te popelen om daar te zijn – terwijl ik groen zag van de wagenziekte en heel erg mijn best moest doen om niet over te geven. Ik  herinnerde  het  me  niet  alleen,  ik  vóélde  het  ook.  Ik  werd weer net zo misselijk en zat als een oud vrouwtje over het stuur gebogen, reed snel en slecht, nam de bochten veel te ruim, trapte boven op de rem en stuurde overdreven naar de kant als er een tegenligger aan kwam. Ik kreeg weer hetzelfde gevoel dat ik altijd krijg als er een wit bestelbusje op me afkomt op een smal weggetje, dan denk ik: ik trek aan het stuur, ik ga het doen, ik knal tegen hem op, niet omdat ik dat wil, maar omdat ik niet anders kan. Alsof ik geen eigen wil meer heb. Dat gevoel heb je ook als je aan de rand van een klif staat, of op een perron, en het net is alsof een onzichtbare hand je een duwtje geeft. En dan? Stel dat ik die stap zet? Stel dat ik inderdaad een ruk aan het stuur geef? (Zoveel verschillen jij en ik nu ook weer niet van elkaar, blijkt wel.) Het was verbazingwekkend hoe goed ik het me nog kon herinneren.  Veel  te  goed.  Waarom  weet  ik  nog  precies  wat  er  gebeurde  toen  ik  acht  was,  maar  kan  ik  het  me  niet  herinneren  of  ik  mijn  collega’s  heb  gesproken  om  een  cliëntenbeoordeling  voor  de  volgende  week  te  verzetten?

De  dingen  die  ik  me  wil  herinneren, ben ik zo kwijt, en de dingen die ik heel graag wil vergeten, blijven me bij. Hoe dichter ik Beckford naderde, hoe meer het verleden zich aan me opdrong, net zo beangstigend en onvermijdelijk als plots opvliegende mussen uit een heg. Al  dat  weelderige,  ongelooflijk  mooie  groen  en  het  heldere,  felle geel van de brem op de heuvel nestelde zich in mijn brein en bracht een hele rits aan herinneringen teweeg: papa die me gillend  en  kronkelend  van  de  pret  het  water  in  draagt  toen ik vier of vijf was; jij, die vanaf de rotsen in de rivier springt en elke keer  weer  een  stukje  hoger  klautert.  Picknicks  op  het  strandje  bij de poel, de smaak van zonnebrandcrème in mijn mond, de vangst  van  dikke,  bruine  vissen  in  het  trage,  modderige  water,  stroomafwaarts van Mill House. Jij, die thuiskomt met een bloedende wond op je been omdat je een sprong verkeerd had ingeschat en vervolgens op een theedoek moet bijten terwijl papa de wond schoonmaakt omdat je beslist niet wil huilen. Niet waar ik bij ben. Mama, in een lichtblauwe zomerjurk, die blootsvoets in de keuken havermoutpap voor het ontbijt maakt, haar voetzolen een donker roestbruin. Papa die op de oever van de rivier zit te tekenen. En als we wat ouder zijn, jij die in een korte broek van spijkerstof  en  het  bovenstukje  van  een  bikini  onder  je  T-shirt  ’s avonds laat stiekem de deur uit glipt voor een afspraakje met een jongen. Niet zomaar een jongen, dé jongen. Mama, magerder en kwetsbaarder, die in de fauteuil in de zitkamer zit te slapen; papa die lange wandelingen maakt met de pafferige, bleke domineesvrouw, die altijd een grote zonnehoed opheeft. Ik kan me nog een potje voetbal herinneren. De zon scheen op het water,  alle  blikken  waren  op  mij  gericht,  en  ik  hield  met  moeite  mijn  tranen  in,  mijn  bovenbenen  besmeurd  met  bloed,  terwijl  iedereen  me  uitlachte.  Ik  kan  het  nóg  horen.  En  op  de  achtergrond het stromende water.

Ik  was  zo  diep  in  dat  water  weggezonken  dat  ik  niet  meteen doorhad dat ik er was. Plotseling bevond ik me midden in het stadje; alsof ik mijn ogen even had dichtgedaan en naar die plek was gestraald. Voor ik het wist reed ik met lage snelheid en heel voorzichtig door smalle straatjes, met aan weerskanten suv’s  geparkeerd en in mijn ooghoek een waas van roze stenen, naar de kerk, naar de oude brug. Ik hield mijn ogen op de weg gericht om niet naar de bomen en de rivier te kijken. Ik wilde het niet zien, maar het ging onbewust.

Ik parkeerde aan de kant van de weg en zette de motor af. Ik keek  om  me  heen,  zag  de  bomen  en  de  stenen  treden,  groen  van het mos en glad na de regen. Ik kreeg overal kippenvel. Ik kan me nog de ijskoude regen herinneren die op het asfalt klet-terde, de blauwe zwaailichten die het opnamen tegen de bliksem om de rivier en de lucht te verlichten, de condenswolkjes voor de monden van de mensen die bang toekeken, en een jongetje, lijkbleek en trillend, dat door een agente de treden naar de straat op werd geleid. Ze hield zijn hand vast en haar ogen waren groot en stonden verbijsterd, ze keek om zich heen en riep iemand. Ik kan de angst en de fascinatie van die avond nog voelen. Ik kan nog steeds horen wat jij toen zei: hoe zou het zijn? Kun jij het je voorstellen? Je moeder te zien sterven?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *