Vrijdags Voorproefje: Leven als een beest – Charles Foster

Titel: Leven als een beest
Auteur: Charles Foster
Uitgever: Signatuur
ISBN: 978 90 567 2580 8

Charles Foster wilde weten hoe het is om een dier te zijn. Dus probeerde hij het uit. Als das leefde hij wekenlang in een hol terwijl hij regenwormen leerde eten. Als otter zwom hij ’s nachts in de rivieren van Devon. Als (stadse) vos wroette hij in Londense vuilnisbakken. Als edelhert struinde hij Exmoor en de Schotse hooglanden af. En als een gierzwaluw volgde hij obsessief de trektocht tussen Oxford en West-Afrika. Een bizar idee, waarvan hij verslag doet in “Leven als een beest”.

Nieuwsgierig? Lees dan het onderstaande fragment.

beest worden

Ik ben een mens. Tenminste, in de zin dat mijn beide ouders van de menselijke soort waren. Dat heeft bepaalde consequenties. Zo kan ik bijvoorbeeld geen kinderen krijgen met een vos. Met die realiteit heb ik te leven. Maar voor zover de grenzen tussen soorten niet denkbeeldig zijn, zijn ze in elk geval vaag en soms poreus. Vraag het maar aan een willekeurige evolutionair bioloog of sjamaan.

Nog maar dertig miljoen jaar geleden – een oogwenk op een aarde waar het leven al bijna drieënhalfduizend miljoen jaar evolueert – hadden de das en ik een gemeenschappelijke voorouder. Ga nog eens veertig miljoen jaar terug, en ik deel mijn familiealbum niet alleen met de das maar ook met de zilvermeeuw. Alle dieren in dit boek zijn nogal nauw aan elkaar verwant. Dat is een feit. Als het daar niet op lijkt, dan zijn onze ideeën erover biologisch ongeletterd. Dan moeten ze hoognodig worden bijgespijkerd.

In het boek Genesis staan twee scheppingsverhalen. Als je erop staat ze zonder meer als historisch te beschouwen, dan sluiten ze elkaar uit. Volgens het eerste verhaal werd de mens als laatste geschapen. Volgens het tweede verhaal als eerste. Maar in beide verhalen staan verhelderende dingen over onze familierelatie met de dieren. In het eerste scheppingsverhaal werd de mens, samen met alle dieren op aarde, geschapen op de zesde dag. Dat is best een intieme voorouderlijke band. We zijn op dezelfde dag geboren.

In het tweede scheppingsverhaal werden de dieren uitdrukkelijk geschapen om als gezelschap te dienen voor Adam. Het was niet goed voor hem om alleen te zijn. Maar Gods opzet mislukte: het gezelschap van de dieren beantwoordde niet helemaal aan de verwachtingen, en dus werd Eva geschapen. Adam ontving haar met open armen. ‘Eindelijk!’ riep hij uit. Iets wat we allemaal op een dag hebben uitgeroepen of hopen uit te roepen. Er bestaat eenzaamheid waar geen kat tegen gewassen is. Dat betekent niet dat Gods plan de plank helemaal missloeg en dat dieren volslagen hopeloos zijn als gezelschap. Zo is het niet, en dat weten we. De markt voor hondenkoekjes is enorm.

Adam gaf alle zoogdieren en vogels een naam, waardoor hij een band met ze smeedde die doordrong tot in de kern van wat zij en hij waren. Die namen waren de eerste woorden die hij sprak.

We worden gevormd door de dingen die we zeggen en de etiketten die we plakken, en Adam werd gevormd door zijn interactie met de dieren. Die interactie en het vormingsproces zijn simpele historische feiten. Als soort zijn we opgegroeid met dieren als onze kinderjuf. Ze hebben ons leren lopen, hand-in-hoef om ons te ondersteunen terwijl we wiebelig op de been kwamen. Omgekeerd hebben de namen – benoemen impliceert beheersen – de dieren gevormd. Ook die vorming is een vaststaand feit, dat (althans voor de dieren) vaak rampzalig uitpakt. We delen niet alleen genetische afstamming en een enorme hoeveelheid dna met dieren, maar ook onze geschiedenis. We zijn allemaal naar dezelfde school geweest. Het hoeft dan ook niet heel verrassend te zijn dat we een paar talen gemeenschappelijk hebben. Mensen die tegen hun hond praten, erkennen de porositeit van de grenzen tussen soorten. Ze hebben de eerste en belangrijkste stap genomen om een sjamaan te worden.

Mensen waren er niet tevreden mee om dr. Dolittle te zijn. Ja, ze spraken tegen dieren; ja, dieren spraken terug. Maar het was niet genoeg. Het deed onvoldoende recht aan de intimiteit van de band. En het leverde ook onvoldoende op. Soms gaven de dieren hun precaire, waardevolle geheimen niet prijs, zoals waar de kudde heen ging als de regen uitbleef, of waarom de vogels de moddervlakten aan de noordkant van het meer hadden verlaten.

Voor dat soort informatie moest je je in extase beroepen op de realiteit van gedeelde afstamming. Je moest op het ritme van de drum rond het vuur dansen tot je zoveel vocht had verloren dat het bloed uit de gescheurde haarvaatjes in je neus spoot, of in een ijzige rivier staan zingen tot je je ziel als braaksel omhoog voelde komen, of vliegenzwam eten tot je jezelf in het bladerdak van het woud zag zweven. Dan kon je door het flinterdunne vlies heen dringen dat deze wereld van andere werelden gescheiden houdt, en jouw soort van andere soorten. En in die barensweeën van besef omhulde het vlies je als de vruchtzak waarin je menselijke moeder je tot je geboorte had gedragen. Je kwam eruit tevoorschijn als een wolf of een wildebeest.

Die transformaties zijn het onderwerp van de vroegste menselijke kunstuitingen. In het laatpaleolithicum, toen het menselijke bewustzijn voor het eerst in de neurale vertakking van de evolutie lijkt te zijn ontvlamd, trokken mensen zich terug in de kille baarmoeder van de grot en tekenden er theriantropische afbeeldingen op de wanden: afbeeldingen van de mythische metamorfose van mens in dier, mensen met de kop en poten van een dier, dieren met de handen en speren van een mens.

Zelfs in de verfijnde, gestructureerde bestellen van Egypte en Griekenland bleef religie een theriantropische kwestie. De Griekse goden veranderden zichzelf om de haverklap in dieren om de mensen te bespioneren, en de Egyptische religieuze kunst is een collage van menselijke en dierlijke lichaamsdelen. In het hindoeïsme wordt die traditie voortgezet: een beeld van Ganesha, de god met het olifantenhoofd, kijkt naar me terwijl ik dit neerschrijf. Voor miljoenen mensen zijn de enige goden die het aanbidden waard zijn, amfibische goden, goden die tussen werelden heen en terug kunnen. En die werelden worden vertegenwoordigd door menselijke en dierlijke vormen. Er lijkt een eeuwenoude, oprechte behoefte te bestaan om de menselijke en dierlijke werelden te verenigen.

Kinderen, ontvankelijker dan volwassenen, kennen die behoefte. Ze verkleden zich als hond. Ze laten hun gezicht schminken zodat ze eruitzien als een tijger. Ze nemen een teddybeer mee naar bed en willen hamsters houden op hun slaapkamer. Voor ze gaan slapen willen ze dat hun ouders hun voorlezen over dieren die gekleed gaan en praten als mensen. Pieter Konijn en Josefien Kwebbeleend zijn de nieuwe sjamanistische theriantropen. Met mij was het niet anders. Ik wilde zielsgraag een nauwere band met dieren. Deels vanwege de overtuiging dat zij iets wisten wat ik niet wist maar om mij onbekende redenen wel diende te weten.

In onze achtertuin zat een merel, die vreselijk wetend uit zijn geel omrande zwarte ogen keek. Het was om razend van te worden. Hij liep te koop met zijn kennis, en dus met mijn onkunde. Als hij met zijn ogen knipperde, was het net alsof ik een glimp opving van de verfomfaaide schatkaart van een piraat. Ik kon het kruisje zien dat de vindplaats aangaf; ik kon zien dat wat daar begraven lag adembenemend was en mijn leven zou veranderen, als ik het zou vinden. Ik kon alleen met geen mogelijkheid zien waar ik het in de wereld moest zoeken. Ik heb alles geprobeerd wat ik, en iedereen die ik tegenkwam, maar kon bedenken. Ik was een merelfanaat. Urenlang zat ik in de plaatselijke bibliotheek boeken uit te spitten naar passages over merels, waar ik dan aantekeningen van maakte in een schoolschrift. Ik bracht de nestplaatsen in de omgeving in kaart (een kwestie van met name ligusterhagen volgen) en liep ze elke dag na, met een krukje om op te staan. In een achterovergedrukt schrift met harde kaft beschreef ik tot in de kleinste puntjes wat er gebeurde. Op mijn slaapkamer had ik een lade vol mereleier-

schalen. ’s Morgens rook ik eraan om me in een nestvogel in te leven zodat ik die dag meer als een merel zou zijn, en ’s avonds nogmaals, in de hoop dat ik me in mijn dromen als een merel zou ontpoppen. Ik had een aantal gedroogde mereltongetjes, die ik met een tang aan verkeersslachtoffers had onttrokken en bewaarde op een bedje van watten in een Zwaluw-luciferdoosje.

Mijn andere grote passie was taxidermie: merels cirkelden met gestrekte vleugels boven mijn bed, zwevend aan een draad, en vanaf multiplex plankjes tuurden bijna onherkenbaar vervormde merels met vernauwde ogen omlaag. Op mijn nachtkastje stond een merelbrein in formaline. Ik bekeek het potje van alle kanten in verwoede pogingen tot dat brein door te dringen en viel regelmatig in slaap met het potje nog in mijn hand. Het werkte niet. De merel bleef even ongrijpbaar als altijd. Zijn voortdurende raadselachtigheid is een van de grote erfenissen van mijn jeugd. Als ik ook maar één seconde had gedacht dat ik het raadsel had opgelost, was het een ramp geweest. Dan was ik misschien oliemagnaat geworden, of bankier of pooier. Een vroege overtuiging van kunde en inzicht maakt monsters van mensen. Het raadsel van de merel houdt mijn ego in toom en overtuigt me van de wonderbaarlijke ontoegankelijkheid van alle wezens, met inbegrip van – misschien wel in het bijzonder – de mens.

Maar dat wil niet zeggen dat we niet verder kunnen komen dan ik met de merels. Dat kunnen we wel.Ik ontken geen moment de realiteit van ware sjamanistische transformatie. Sterker nog, ik heb die zelf ondervonden: ik heb een verhaal over een zwarte kraai, dat ik bewaar voor een andere keer. Maar het is een enorm inspannend proces en wat mij betreft te angstaanjagend om vaak door te maken. Bovendien is het zo vreemd dat de resultaten de meeste mensen ongeloofwaardig in de oren klinken. Er zijn genoeg redenen waarom iemand een boek zou lezen over hoe het is om een das te zijn, opgetekend vanuit een leunstoel door iemand die hallucinogenen heeft geslikt en denkt dat hij een das is, maar de wens om meer te weten over de das of over het loofwoud hoort daar waarschijnlijk niet bij.

Hetzelfde geldt voor het quasi-sjamanisme van J.A. Baker, van Sjamanistische transformatie misschien uitgezonderd, zal er altijd een grens zijn tussen mijn dieren en mij. Het is maar beter om daar eerlijk over te zijn en die grens zo duidelijk mogelijk af te bakenen, alleen al omwille van de coherentie.

Het mag dan prozaïsch zijn om van elke passage in dit boek te kunnen zeggen ‘Hier spreekt Charles Foster over een dier’ in plaats van ‘Dit zou weleens de mystieke taaluiting kunnen zijn van een mens-das’, maar het is een stuk minder verwarrend. De methode is dus simpelweg de grens zo dicht mogelijk te naderen en er voorbij te kijken met alle beschikbare instrumenten. Dat proces verschilt radicaal van eenvoudig observeren. De typische vogelkijker met zijn verrekijker weggekropen in een observatiepost houdt zich niet bezig met Anaximanders duizelingwekkende vraag, ‘Wat ziet een valk?’, laat staan met de moderne, breder georiënteerde, neurobiologische vertaling van die vraag, ‘Wat voor wereld construeert een havikachtige door in zijn brein de input van zintuiglijke receptoren te verwerken, zijn genetische opmaak en eigen ervaring in aanmerking genomen?’ Dat zijn de vragen waar ik me op richt.

We kunnen op twee punten verrassend dicht bij de grens komen. Daar heb ik mijn eigen observatieposten opgezet. Die punten zijn fysiologie en landschap.

Fysiologie: vanwege onze nauwe evolutionaire verwantschap sta ik – in termen althans van de batterij aan zintuiglijke receptoren die we allemaal hebben – behoorlijk dicht bij de meeste dieren in dit boek. Waar dat niet het geval is, is het doorgaans mogelijk om de verschillen te beschrijven en (in grote lijnen) te kwantificeren.

Zoogdieren als ik en vogels beschikken bijvoorbeeld allebei over Golgi-peeslichaampjes, lichaampjes van Ruffini en spierspoeltjes om de positie van hun lichaamsdelen in de ruimte te bepalen, en over zenuwcellen of fne’s, free nerve endings, om ‘Heet!’ of ‘Akelig!’ te roepen. De manier waarop ik die rauwe sensorische data verzamel en doorstuur lijkt sterk op de manier waarop de meeste zoogdieren en vogels dat doen. Door naar de verdeling en dichtheid van de diverse typen receptoren te kijken kunnen we soort en volume van de input in het brein bepalen. Neem de scholekster, die op zoek naar zeepieren zijn snavel diep in het zand boort. Aan de rand van zijn snavel

bevinden zich reusachtige hoeveelheden Merkel-cellen, lichaampjes van Herbst, Grandry en Ruffini en fne’s. Het gepook stuurt schokgolven door het natte zand, en het netwerk van receptoren vangt als de sonar van een onderzeeër de onderbrekingen op in het retoursignaal, die mogelijk op de aanwezigheid van een zeepier duiden. Sommige uiterst fijn afgestemde receptoren vangen het schrapen op van de haartjes van de zeepier tegen de wanden van zijn hol. Dit komt in de menselijke ervaring nog het meest

overeen met seks. Een heel goed argument tegen besnijdenis is dat je gelijkenis met de scholekster eronder lijdt. Aan de binnenkant van de voorhuid zitten soortgelijke concentraties Merkel-cellen en andere receptoren, die tijdens de seksuele gemeenschap zwijmeldronken worden gemasseerd (de arme eikel heeft niet veel behalve fne’s, die vaak op sterven na dood zijn door tientallen jaren masturbatie en het schuren langs ruwe broekstof ). In termen van rauwe intensiteit van een signaal is de zeepierenjacht van scholeksters een aardverschuiving. Alsof je in een voortdurende staat van opwinding door de paden van Sainsbury’s loopt, tot het randje van een orgasme gedreven door de aanblik van de ontbijtgranen die je zocht.

Behalve dat het zo niet is. Het zit hem allemaal in de centrale verwerking. Haal bij de geilste pornoster ter wereld de hersenschors weg, en hij heeft nooit meer een orgasme. Het is niet waar dat een man met zijn kruis denkt. Zelfs de onnadenkendste minnaar beleeft seks alleen maar tussen de oren. En een scholekster voelt de aanwezigheid van zeepieren alleen maar tussen

zijn oren.

En daar zit precies mijn probleem: in de bizarre transformatie van signaal in actie of sensatie. Het universum dat ik bewoon, is een constructie van mijn brein. Het is uitsluitend van mij. Het leerproces van intimiteit is het proces waarbij je leert anderen uit te nodigen in je universum en er rond te kijken. De ervaring van eenzaamheid is de verpletterende wetenschap dat niemand, hoe goed je ook wordt in het verstrekken van uitnodigingen, in staat is veel te zien of herkennen. Desondanks moeten we het blijven proberen. Als we het opgeven met mensen, worden we ellendige mensenhaters. Als we het opgeven met de natuurlijke wereld, worden we ellendige snelwegverbreders of dassenvangers of navelstaarderige stedelingen.

We kunnen wel íéts doen. Ik heb heel wat boeken over fysiologie gelezen en geprobeerd somatotopische beelden te schetsen van mijn dieren, beelden waarin de lichaamsdelen de afmetingen hebben die door hun vertegenwoordiging in het brein gerechtvaardigd zijn. De mens rolt eruit met een enorm hoofd, en enorme handen en geslachtsdelen, maar een schriel, uitgeteerd bovenlichaam. Muizen krijgen snijtanden van nachtmerrieachtige proporties, grote poten en snorharen als brandslangen.Met somatotopische verbeeldingen is voorzichtigheid geboden: ze zeggen niets over de aard van het verwerkingsproces of de uiteindelijke output. Ze laten alleen maar zien dat er veel hardware gewijd is aan snorharen, niet dat een muis in een wereld leeft die subjectief gedomineerd wordt door zijn snorharen. Toch vormen ze een goed uitgangspunt.

We kunnen voorzichtige parallellen trekken met onze eigen respons op bepaalde situaties. Ja, uiteindelijk komt het neer op het verwerkingsproces, maar je hebt alle reden om aan te nemen dat een vos en ik iets soortgelijks ‘gewaarworden’ wanneer we in een stuk prikkeldraad trappen. In het geval van de vos zijn de aanhalingstekens van belang. Ik kom er zo op terug, maar voorlopig bedoel ik er eenvoudigweg mee dat de pijnreceptoren in de poot van de vos en in mijn voet min of meer identieke signalen afgeven en langs min of meer identieke trajecten elektrische impulsen vanuit het perifere en centrale zenuwstelsel versturen om door het brein te worden verwerkt, dat dan in beide gevallen de boodschap ‘haal subiet die poot van het prikkeldraad’ naar onze spieren zal sturen, als een reflex ons lidmaat al niet heeft opgetrokken. Bij de verwerking wordt ons allebei met zekerheid ingeprent: ‘Niet in prikkeldraad trappen, want het is in hoge mate onaangenaam’. Die les wordt onderdeel van de ervaring die we daadwerkelijk gemeen hebben. Die hebben we op neurologisch identieke wijze opgedaan: we weten allebei hoe het is om in prikkeldraad te trappen op een manier waarop mensen en dieren die er nooit in hebben getrapt, het niet weten. Ik ga ervan uit dat er veel neurologische sequenties bestaan waarvan je naar waarheid kunt zeggen dat je die gemeen hebt met een dier. Als de wind door de vallei blaast waar we allebei liggen, voelen we dat op soortgelijke wijze. Die kan (en zal) verschillende betekenissen voor ons hebben: voor de vos bijvoorbeeld dat er in het bos bij de wilde kastanjes konijnen zitten; voor mij dat ik het koud heb en een extra kledinglaag moet aantrekken. Maar we hebben hem allebei gevoeld. En het betekenisverschil kan worden opgemaakt uit gedragsobservatie.

Wij mensen zijn geneigd ons zintuiglijke leven kleiner voor te stellen dan het is: aan te nemen dat alle wilde wezens het in de wilde natuur beter doen dan wij. Omdat we ons bedroevend onzintuiglijke stadse leven willen rechtvaardigen jegens onszelf, vermoed ik (‘Allicht woon ik in een huis met cv en eet ik voedsel uit blik; ik kan moeilijk in een boom wonen en eekhoorns vangen’), en omdat we er onze eigen veronderstelde cognitieve superioriteit ten opzichte van de dieren mee bevestigen (‘Ze ruiken en horen beter dan ik omdat ik dat soort basale hersenstamfuncties ben ontgroeid. Ik hoef niet te ruiken, ik dénk, en dat is veel zinvoller’). In feite doen we het nog niet zo slecht. Kinderen horen vaak geluiden met een frequentie die hoger is dan twintigduizend hertz. Zo groot is het verschil met een hond (typisch veertigduizend hertz) niet, en het is veel beter dan het gehoor van een wintertaling (tot tweeduizend hertz) en de meeste visssoorten (doorgaans niet veel meer dan vijfhonderd hertz). En in de lage frequenties zijn we veel beter dan menig klein zoogdier. Een goede reden te meer, voor zover nodig, om discotheken te mijden. Zelfs onze reukzin, waarvan we vaak denken dat die door de beschaving is geatrofieerd, is (bij veel mensen) verbazingwekkend intact. En nuttig. Driekwart van de mensen kan uit drie gedragen T-shirts hun eigen T-shirt halen. Meer dan de helft haalt het uit tien T-shirts die hun worden voorgehouden. Of je wilt of niet, we zijn multimodaal zintuiglijke dieren en kunnen ons een redelijke voorstelling maken van wat er wordt doorgewalmd, -gestraald en -gedreund aan onze familie in bos en veld.

We hebben ook voordelen: bijvoorbeeld het cognitieve, dat ons in staat stelt onze eigen cognitie en onze fysiologische kenmerken te beschouwen, en dus te beschrijven in welke opzichten we overeenkomen met en verschillen van dieren. Maar er zijn andere redenen waarom een mens in een betere positie verkeert om dit boek te schrijven dan laten we zeggen een stokstaartje. We zijn goede fysiologische generalisten als gevolg van onze omnivore aard: een stokstaartje is te reukzintuiglijk georiënteerd om een geloofwaardige auteur te zijn. En we hebben ons perspectief.

Toen mijn voorouder op de Oost-Afrikaanse savanne zichzelf voor het eerst op haar achterbenen hees, legde ze een hele reis af; een reis naar een nieuwe wereld. Op dat moment werd ze een wezen wier horizon niet werd afgebakend door de toppen van grashalmen en de zongedroogde klei op de grond, maar door de einder en de sterren. Ineens werd het scheppingsverhaal waar: ze had visuele dominantie over al wat kroop en gleed. Ze zag die schepsels zoals zij haar niet zagen: ze keken naar haar op en zij kon niet anders dan op hen neerkijken. Ze zag de verbanden tussen hun paden door de wildernis op een manier waarop zij dat niet konden. Ze zag hun context en levenspatronen. In sommige opzichten zag ze ze beter dan ze zichzelf zagen. Dat was simpelweg een gevolg van tweebenigheid. Door de gigantische uitbreiding van haar cognitie (of die toen of later plaatsvond, doet er niet toe) werden de opzichten waarin het scheppingsverhaal waar was, nog eens exponentieel vermenigvuldigd.

Een ontwikkelde cognitie stelt je in staat om (in de comfortabele omgeving van je grot in plaats van in de precaire wereld van speer, hoorn en hoef, waar je gewoonlijk maar één kans krijgt) hypotheses met veel variabelen uit te werken over wat het wildebeest volgende week doet, en die vervolgens te testen. Het vergt het schrijven en hanteren van computerprogramma’s. We doen het continu: het heet denken. Het betekent dat de menselijke jager waarschijnlijk een beter idee heeft van wat het wildebeest volgende week dinsdag op het programma heeft staan dan het wildebeest zelf. Je zou zelfs kunnen zeggen dat een succesvolle speerworp er het voorlopige bewijs van is dat de jager het dier beter kent dan het dier zichzelf. Mijn voorouders waren buiten-gewoon succesvolle jagers.

Cognitie brengt (hoewel niet slechts met basaal verwerkingsvermogen) ‘Theory of Mind’ met zich mee, het vermogen om zichzelf in de positie van een ander te stellen via een route van redeneren die waarschijnlijk afwijkt van het type ‘wat zal het wildebeest volgende week doen’.

Vrouwen beschikken over meer Theory of Mind dan mannen, waardoor ze vriendelijkere mensen zijn, minder geneigd om oorlogen te beginnen of egocentrische monologen af te steken tijdens het avondeten. Er is geen reden om Theory of Mind te beperken tot een vermogen om jezelf in andermans schoenen te plaatsen. Er is ook het vermogen mee gemoeid om jezelf in andermans hoeven, voetkussens of vinnen te plaatsen. In brede zin is het het vermogen om de onderlinge verbondenheid van dingen te waarderen: precies het vermogen dat de waterproef en de brandstapel van de middeleeuwse heksenjagers tevoorschijn deed komen. Het is niet verbazend dat de Kerk veel meer vrouwen dan mannen wegens hekserij heeft verdronken en verbrand, of dat van heksen algemeen bekend was dat ze dierlijke gezellen hadden en hun

vorm konden aannemen. Sjamanistische transformatie is het natuurlijke gevolg van een verfijnde Theory of Mind. Als je in de geest van een andere soort kunt kruipen, kun je ook in zijn huid kruipen, en uiteindelijk zie je veren voortspruiten uit je armen of klauwen uit je vingers.

Dat de sjamaan in jagersculturen van essentieel belang is bij het opsporen en doden van dieren, creëert een innerlijk conflict dat alleen kan worden opgelost door oprechte rouw en kostbaar ri-tueel. Alle beschaafde jagers, met hun prooi verbonden door dezelfde Theory of Mind die ons doet meevoelen met onze kinderen, betreuren de dood van hun prooi. Dat nalaten is gevaarlijk, volgens de oude wijsheid, en de oude wijsheid heeft gelijk. De planeet zal een hard oordeel vellen over onze moderne ecocide, en anders doen haar gehoornde goden dat wel. Ik heb mijn geweren afgelegd en me tot tofoe gewend, maar er was een tijd dat ik zwaarbewapend door bossen en over bergen kroop. Afrikaanse antilopen zullen niet zonder rancune toekijken terwijl ik dit typ. Elk jaar in oktober nam ik de trein naar het noorden om edelherten te jagen in de noordwestelijke Hooglanden van Schotland. Mijn passie voor de reeën van Somerset en het gevogelte van de Kentse zoutmoerassen grensde aan het genocidale. Mijn vrouw kwam mee als geweersteun als ik op konijnenjacht ging. Ik deed mijn dochter op haar tiende een .410-kaliber jachtgeweer cadeau. Ik ben er met de zweep in de hand te voet op uit gegaan met beagles, en te paard met foxhounds en staghounds, en ik had een maandelijkse column in The Shooting Times. Mijn naam staat in de met goudreliëf bedrukte jachtboeken van verscheidene landhuizen. Ik sta lachend op de foto naast bergen dode houtduiven in Lincolnshire. Ik heb hele nachten op zeeforel gevist op Kintyre, en de Spey-worp, die ik heb geleerd bij het springzalmvissen op de Dee-rivier, heb ik nooit verleerd. Ik zing ‘Digo, Bendigo’ in de pub zoals ik het heb geleerd op de Rydal Hound Show. Ik ga nog steeds naar de Game Fair, en een walnoothouten geweerkolf kan me nog steeds in bekoring brengen.

Ik schaam me ervoor, en van veel dingen heb ik spijt. Het heeft me vereelt, en het heeft lang geduurd voordat dat eelt sleet. Maar ik heb er ook veel van geleerd. Ik heb geleerd over de grond te kruipen en me doodstil te houden. Ik heb drie uur lang in een beek in Argyllshire gelegen, terwijl het water langs mijn kraag naar binnen stroomde en langs mijn broekspijpen weer naar buiten. Ik heb in een woud in Bulgarije zitten kijken hoe de horzels in de rij stonden om in mijn hand te steken, en in een rivier in Namibië hoe de bloedzuigers zich rond mijn enkels wentelden in hun opwaartse gang naar mijn kruis. Ik ben heel wat dagen begonnen in het moerasland, met mijn ogen op eendhoogte boven de modder. Ik weet hoe de schaduwen van twee esdoorntakken in de winter op de Somerset Levels dansen, waarom de palingen de rivier de Isle verlaten en door het grasland naar een wetering trekken vlak bij Isle Abbots, en hoe de mest ruikt van twee reebokken die in de omgeving van Ilminster leven.

Ik heb er mijn zintuigen door teruggevonden: iemand met een geweer ziet, hoort, ruikt en voorvoelt veel meer dan dezelfde persoon met een vogelboek en een verrekijker. Het is alsof de dood, of de potentiële dood, van een dier een paar oude, diep begraven knoppen omzet. De dood moet in de lucht hangen wil je jezelf echt voelen leven. Misschien omdat de jacht, voordat we met moderne vuurwapens achter onschuldige herbivoren aan gingen, het reële risico met zich meebracht dat de jager stierf, en dat elke zenuw strakgespannen moest staan om hem in leven te houden. Misschien omdat de dood bij uitstek de ervaring is die we, zonder enig voorbehoud, met alle dieren delen; misschien is de eerste, adembenemend spannende vrucht van die perfecte wederzijds-heid wel het vermogen om de wereld te beleven zoals de prooi die beleeft. Soms is het alsof je twee neurale systemen hebt, die in extase parallel lopen: dat van jou en dat van het hert waarop je jaagt. De jacht draait de klok van de evolutie en ontwikkeling terug: je krijgt de zintuigen van je voorouders, die overeenkomen met de zintuigen van je kinderen. Alle kinderen zullen jagen als het ze wordt toegestaan. De mijne zijn voortdurend aan het spoorzoeken: ze snuiven geuren op, kijken onder stenen en lijken wel helderziend als het gaat om de vindplaatsen van dieren. Mijn oudste zoon is nu acht. Kleine Tommy Paddenvanger noemen we hem. Neem hem mee naar een veld dat hij nooit eerder heeft gezien en hij kijkt even om zich heen, loopt een eindje, honderd, misschien tweehonderd meter in een rechte lijn het veld in en draait een steen om met een pad eronder. Als je hem vraagt hoe hij dat doet, zegt hij: ‘Dat weet ik gewoon.’ Een paar duizend jaar geleden had die vaardigheid hem zijn leven gekost of een dik, rijk, gerespecteerd man van hem gemaakt die de echtgenotes voor het kiezen had. Als er aan dat talent een element van genetica ten grondslag heeft gelegen, dan zal er sterk op zijn geselecteerd. En dat is er ongetwijfeld. Het jachtinstinct is in menig actuaris sluimerend aanwezig. Maar het is veel beter beschermd door natuurlijke selectie dan het vermogen om een balans te lezen ooit zal zijn. En zelfs in de meest hopeloze stadse nerd kan het vlot worden aangeblazen.

We zijn jagers. En we kunnen even goed jacht maken op de werelden van dieren als we vroeger deden op hun pelzen, en met exact dezelfde vaardigheden.Onze geweldige cognitie is ons op die jacht niet altijd van dienst. Die zorgt er bijvoorbeeld voor dat ik zowel verveeld als geïnteresseerd raak zoals, naar veronderstelling, een vos dat niet zal zijn.Vossen krullen zich overdag vaak bovengronds op, en liggen dan ergens tussen waken en slapen op een beschut plekje. Voor het vossenhoofdstuk heb ik dat gedaan. Mijn vossen waren stadsvossen, en dus wachtte ik opgekruld in een achtertuin in het noord-Londense Bow het vallen van de nacht af, zonder eten of drinken, plassend en poepend waar ik lag, en beschouwde de mensen in de rijtjeshuizen om me heen als vijandig, wat niet moeilijk was.

Het was een nuttige dag: ik leerde beslist iets over wat het betekende om vos te zijn. Maar het overgrote deel van wat me door het hoofd speelde, was niet bepaald vossig. Terwijl ik daar plat op de flagstones lag, werd ik gefascineerd door de mierengemeenschap waarvan het leven zich pal voor mijn neus afspeelde. Ik probeerde hun onderlinge relaties te doorgronden en vroeg me af hoe ze communiceerden. Iets wat vossen waarschijnlijk niet doen. Ik vroeg me af of ik kurkuma rook in de geur van saag aloo die over het hek dreef; een vos zou simpelweg vaststellen dat er in dit of dat huis voedsel was en bedenken dat de vuilnisbak straks interessant kon zijn. En ik verveelde me; elke afleiding was me welkom geweest: een boek, een gesprek, een intrige. Dieren vervelen zich ook. In elk geval relatief: een hond die achter in een auto zit zou veel liever achter konijnen aan jagen. Maar ik betwijfel of de volslagen afwezigheid van gebeurtenissen voor hen even enerverend is als voor mij. Misschien ervaren ze die stress wel nooit. Misschien geeft de constante kans op dood, seks of voedsel hun lange, wakende dagen ruim voldoende smaak. Ik bezag die kansen, terwijl ik daar in Londen E3 in mijn eigen mest lag, min of meer realistisch, en verveelde me dood.Ik heb rond de hete brij van het bewustzijn gedanst. Dat komt natuurlijk omdat ik, net zomin als een ander, niet weet hoe ik met die hete brij moet dansen. In zo ongeveer elk boek over dierlijke perceptie verschijnt, als een handig motto, dat beroemde zinnetje van de Amerikaanse filosoof Thomas Nagel: ‘Hoe is het om een vleermuis te zijn?’ Een citaat dat bol staat van de ironie, omdat Nagel ermee wees op de onoverkomelijke moeilijkheid van het schrijven van boeken die iets moeten overbrengen over het bewustzijn van een niet-menselijk wezen. Ten eerste weten we in veel gevallen simpelweg niet of een bepaalde soort over bewust-zijn beschikt (noch of bepaalde ondersoorten van bepaalde soorten over bewustzijn beschikken: stel dat er soorten zijn met sprekende, zelfreflectieve dieren én niet-sprekende dieren, zoals in de Narnia-reeks?). En ten tweede (en dit was Nagels voornaamste punt) kán van bewustzijn niet worden gezegd dat het ergens op lijkt, waardoor verkenning middels vergelijkingen onmogelijk is en verkenning middels metaforen hachelijk.

Bewustzijn is subjectiviteit: bijvoorbeeld mijn notie dat er een Charles Foster bestaat, die verschilt van alle andere wezens. Die zelfs verschilt van mijn eigen lichaam. De Charles Foster van wie ik rotsvast overtuigd ben dat hij bestaat, is mij zoals mijn lijf dat niet is. Een heleboel cellen die nu deel uitmaken van mijn lichaam, waren er vorige week nog niet en zullen volgende week dood zijn, en toch zeg ik vandaag dat Charles Foster vorige week een heuvel in Somerset beklom en volgende week in Athene zal zijn. Daarmee bedoel ik dat er een essentiële ‘ik’ is die in mijn lichaam huist. Het klinkt verdacht veel alsof ik het heb over mijn ziel.Niemand heeft ook maar het flauwste benul van het ontstaan van bewustzijn. De reductionisten huldigen het standpunt dat het een bijproduct is van mijn neurologische opmaak: een soort substantie die mijn brein afscheidt. Maar niemand heeft ooit overtuigend weten voor te stellen hoe het überhaupt is begonnen, of waarom het, eenmaal begonnen, door natuurlijke selectie werd geschraagd.

We kunnen vingerafdrukken van bewustzijn ontwaren in de menselijke geschiedenis: het lijkt ergens in het paleolithicum te zijn opgekomen volgens bewijzen van een explosie aan symbolisme, de overdaad aan dingen waar het ‘ik, en niet jij’ vanaf schreeuwt. Er is overtuigend beargumenteerd dat de praktijk om de staat van bewustzijn te veranderen door ascese, uitputting, uitdroging of de inname van hallucinogene stoffen, mogelijk als een katalysator heeft gewerkt in een proces waarvan bewustzijn het eindresultaat was. Maar die stelling, hoe interessant ook, komt niet in de buurt van een verklaring van de aard van bewustzijn, of van de redenen voor het overleven ervan, of van de locatie ervan. T.H. Huxley heeft ooit gezegd dat het voortspruiten van bewustzijn uit elektronisch geïrriteerd weefsel al net zo’n mysterie is als de geest die uit de lamp kwam toen Aladdin eroverheen wreef. De moderne neurowetenschappen hebben daar niets aan toe te voegen.

Voor de reductionist is het een aanhoudend probleem, want niemand weet waar bewustzijn voor dient, net zomin als men weet wat die waardevolle eigenschap dan is waarvan het bewustzijn misschien een toevallig bijproduct is. Voor geen van de dingen waar natuurlijke selectie de tanden in kan zetten, heb je bewustzijn nodig. Je hebt het niet nodig om voedsel te vangen of om te paren. Besef van het ‘ik’ maakt de impuls om je lichaam te bevrijden uit de kaken van een roofdier heus niet groter. Theory of Mind geeft je dan misschien een selectievoordeel, maar je hebt er geen bewustzijn voor nodig. We leggen zelfs visueel onderscheidingsvermogen aan de dag zonder bewustzijn. Neem nu Lawrence Weiskrantz’ experimenten op een patiënt die corticaal blind was in het linkergezichtsveld. Zijn oog werkte wel, maar de verbindingen met of in de visuele cortex van zijn brein deden het niet. Daarom zei hij dat hij voorwerpen in het linkergezichtsveld niet kon zien. Maar toen hij moest zeggen wat zich daar bevond, was zijn opsomming te accuraat om toevallig te zijn. Als een letterraam op zijn kant stond, was hij sterk geneigd om de letters verticaal weer te geven. Hij kon de ezichtsuitdrukking van een ‘onzichtbare’ persoon in het linkergezichtsveld prima nadoen. Hij ging heel goed om met een wereld waarvan hij niet wist dat hij ermee in verband stond. De ‘hij’ die hij aan zichzelf beschreef had geen invloed op de wereld van het linkergezichtsveld, maar zijn lijf had dat wel.

In sommige dieren is bewustzijn met zekerheid aanwezig. Het is bijvoorbeeld aangetoond in de wipsnavelkraai, vaak aan de hand van experimenten met zelfherkenning. Hoe beter we worden in het zoeken naar bewustzijn, hoe meer we het vinden. De aarde lijkt een tuin te zijn waarin het prima groeit. Maar voor zover ik weet is er geen bewustzijn aangetoond in een van de diersoorten die ik in dit boek beschrijf. Het zou me verbazen als het niet zo was – zeker in het geval van de vos en de das – maar ik ben er niet van uitgegaan dat ze erover beschikken (zoals gebeurt in bijna alle kinderboeken over dieren en in veel boeken voor volwassenen). Zelfs als er wel bewustzijn was aangetoond, dan maakte het niet veel verschil voor het boek. Daar waar bewustzijn aanwezig is, zoals in mensen, kan de werking ervan in enig ander individu alleen door romanschrijvers en dichters worden verkend. En zelfs de besten onder hen zullen concluderen dat het individu ongrijpbaar is. Ook wanneer we, als soortgenoot, toch enig idee hebben over hoe bewustzijn kan functioneren in onze medemens. Hoe is het om een intern getuigende vos te zijn? Je waagt je in de wilde grensgebieden van de poëzie. En als een antwoord al mogelijk is, dan zegt het ons misschien niet veel over de

wereld van de vos in het algemeen.Het is al interessant genoeg, en zeker lastig genoeg, om te proberen antwoord te geven op de vraag hoe het is om in algemene zin een sensorische vos te zijn.

Tot zover fysiologie: ik heb fysiologisch veel gemeen met mijn dieren, en ten aanzien van wat ik niet met ze gemeen heb, kan ik een gerede gooi doen. Het tweede punt waarop ik ze dicht kan naderen is landschap. Ik kan gaan waar zij zich bevinden. We krijgen dezelfde regen over ons heen; we worden geprikt en geschramd door dezelfde gaspeldoorn; we voelen dezelfde trillingen door de grond gaan wanneer er vrachtwagens voorbij denderen; we zien dezelfde boer met hetzelfde geweer. Ze hebben voor ieder van ons natuurlijk eigen betekenissen. Het geweer zal niet mijn dood betekenen; de regen betekent wormen in de bovenlaag van de grond, wat voor een das interessanter zal zijn dan voor mij. Toch delen we iets echts en objectiefs, die das en ik. Ja, onze werelden zijn in ons eigen hoofd op maat gemaakt door onze unieke neurologische software; ja, het is lastig te zeggen hoe een rots op de hei er voor een ander wezen uitziet. Maar dat wil niet zeggen dat de rots niet objectief bestaat, of dat de poging om hem waar te nemen via de zintuiglijke receptoren van een niet-mens gedoemd is tot betekenisloosheid of incoherentie.De dieren en ik spreken een gemeenschappelijke taal: die van

het gezoem van onze zenuwcellen. Vaak is het een moeilijk verstaanbaar dialect, zij het nooit helemaal onverstaanbaar. Wanneer het moeilijk is te bepalen wat er wordt gezegd, schiet de context te hulp. De context is altijd het land.De dieren worden uit het land gehouwen. Vrijwel elke molecuul van een typische das stamt uit een gebied van zo’n zestig hectare rond zijn geboorteplek. Nadat hij, in een burcht diep onder de grond, door zijn moeders geboortekanaal is geperst, baant hij zich door een andere tunnel, een van aarde, een weg naar de schemer van het bos aan de oppervlakte. Aan het einde van zijn leven daalt hij langs diezelfde of een relatief nabijgelegen tunnel weer af en sterft ondergronds, ook nu omhuld door de aarde. Zijn lijf wordt opgenomen in de wand van de burcht en is voedsel voor wormen, die op hun beurt als voedsel fysiek deel zullen uitmaken van de volgende generatie dassen. Je zou een diepe, vruchtbare resonantie verwachten tussen land en dier. En dat is precies wat je aantreft. Maar weinig dieren laten zich succesvol exporteren.

Ik ben veel minder lokaal. Of ik het leuk vind of niet, een groot deel van mijn moleculen stamt uit China en Thailand. Ik moet heel wat harder mijn best doen om sowieso enige weerklank te krijgen. Toch is er veel wat me daarbij kan helpen: geschiedenisboeken, de liederen en deuntjes van overleden boeren, de verhalen die aan het land en aan mijn geest kleven zoals grond aan de rug van een das kleeft. Beetje bij beetje kan ik de mythologische taal leren waarin het land zowel tegen mij als tegen de das spreekt, en het is voldoende voor enig gesprek, al is het voor de das en mij, met ons eigen neuronale dialect, zoeken naar woorden.Wat ook helpt is om ongegeneerd hippie te zijn. Frank Fraser Darling stond erop het hele jaar door op blote voeten over zijn

geliefde eiland te struinen, omdat hij de hartslag van het universum niet kon voelen door twee centimeter rubber heen, en ik ben er zeker van dat hij er alleen maar een betere zoöloog door werd.

Dus weg met de tierelantijnen, en laat de instincten maar komen. Buiten de wereld van Beatrix Potter en Alison Uttley dragen de dieren geen kleren. Gore-Tex is alleen maar een laag te meer tussen jou en de manier waarop minder stevig ingepakte dieren de wereld ervaren. Iemand die ik ken heeft honderden kilometers in zijn blootje door Engeland gelopen. Engels als ze waren weigerden de mensen die hem tegenkwamen er iets bijzonders in te zien, en ze zeiden hem vriendelijk goeiedag.

Wetsuits zijn condooms die voorkomen dat je verbeelding wordt bevrucht door bergbeekjes.Leer oude wijsjes; eet het voedsel uit je omgeving. Ga in een hoekje van een veld zitten luisteren. Doe oordoppen in, sluit je ogen en ruik. Snuffel overal aan, waar je ook bent; zwengel je ol-factorische vermogens aan. Zeg in navolging van de heilige Franciscus ‘Hallo, broeder os’, en meen het.De evolutionaire biologie is een gesublimeerd manifest van de onderlinge verbondenheid van alles, een soort wetenschappelijk advaita

of monisme: gewaarwording en kennis gaan hand in hand. Iets gewaarworden is iets echt kennen.Wat is een dier? Het is een voortdurend gesprek met het land waar het vandaan komt en waarvan het bestaat. Wat is een mens? Een voortdurend gesprek met het land waar hij vandaan komt en waarvan hij bestaat, maar wel een gesprek dat met meer horten en stoten verloopt dan bij de meeste wilde dieren. De gesprekken kunnen verhalen worden en de vorm en smaak van persoonlijkheid verwerven. Dan worden ze het soort dieren dat we roemen en waar we naast willen zitten tijdens het diner.

Ik wil een beter gesprek hebben met het land. Dat is gewoon een manier om mezelf beter te leren kennen, en mijn obsessie met mezelf maakt dat de moeite waard. Een goede manier om dat te bereiken is door een beter gesprek te hebben met de behaarde, geveerde, geschaalde, klappende, duikende, krijsende, zwevende, grommende, plettende, hijgende, flapperende, scheten latende, wringende, waggelende, uitbenende, dravende, rijtende, springende, uitgelaten brokken land die we dieren noemen.

Door te praten word je goed in praten. Door relaties aan te gaan, wat tijd kost, word je goed in relaties. Je moet op de hoogte zijn van de andere partij. Daarom heb ik boeken gelezen over fotosynthese en standing stones en schist en feces en reuk. Ik heb bladeren in mijn schrijfblokken geplakt en ze gestreeld. Ik heb audioboeken van vogelgeluiden gekocht, en in de metro van Paddington naar Farringdon besefte ik dat ik heel wat kon opmaken over de persoonlijkheid van een vogel en zijn leven aan de hand van de geluiden die hij maakte. Zonder te weten wat het voor vogel was (sommige audioboeken dreunen de soortnamen goddank niet in je oren), begreep ik op een of andere manier dat de zwartkeelnachtegaal een angstige dans uitvoerde in de schaduw van zomers loof, op zijn hoede voor de dood van boven, dat hij insecten oppikte met een snavel zo fijn als het fijnste chirurgische tangetje en dat hij druk en beweeglijk was en vroeg naar het zuiden vertrok.

‘Pretentieuze mystieke klets,’ bulderde mijn vriend Burt, een boer, die we in het volgende hoofdstuk nog tegen zullen komen. En toch was het zo. En in de ondergrondse van Paddington naar Farringdon realiseerde ik me dat het ook helemaal niet zo verbazingwekkend was; dat je kon gissen naar de geschiedenis en politiek van Rusland door Russen in het Russisch met elkaar te horen praten over de boodschappen en het weer, ook al verstond je er geen woord van, of misschien wel juist daarom.Maar meestal hing ik ergens rond. Ik heb naakt en huiverend op de hei zitten kijken hoe de wolken uiteendreven. Ik heb in de donkere holten van de East Lyn-rivier gezwommen, waar de palingen op de loer liggen. Ik heb een gat in een Welshe heuvel gegraven en erin gewoond. Ik heb aan de kant van een drukke weg gelegen, kwaad om de koplampen, en het asfalt onder me voelen schudden van de voorbijrijdende vrachtwagens. En net als ieder ander drentelde ik ’s zondags in een overbodige jas door het park met de kinderen en voerde de eendjes. En stukje bij beetje pikte ik wat woorden op en wist dat mijn woorden op hun beurt werden gehoord.

Wittgenstein heeft gezegd dat we, als een leeuw kon spreken, er geen woord van zouden verstaan omdat de wereld van een leeuw zo volslagen anders is dan die van ons. Hij had het bij het verkeerde einde. Ik weet dat hij het bij het verkeerde einde had

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *