Voorpublicatie: De Oproep – Andrew Hall

A.W. Bruna Uitgeverij brengt het nieuwe boek van Matthew Hall uit: “De oproep”. Bij deze een voorproefje:

In het halfjaar dat Jenny Cooper als rechter van instructie, ook wel onderzoeksrechter genoemd, bij het Severn Vale-district werkzaam was, was het aantal lijken dat na een dag of twee nog niet kon worden geïdentificeerd op één hand te tellen geweest. Jane Doe, oftewel JD-0110, lag nu ruim een week in haar plastic lijkenzak in de koelcel van het mortuarium van het Vale-ziekenhuis. Door de toevloed van lijken die op autopsie lagen te wachten, werd die van haar niet geopend en werd zij niet onderzocht.

Ze was aan de Engelse kant van de rivier de Severn aangespoeld, bij de monding van de Avon, meegezogen door de stroming en naakt op een modderbank uitgespuugd, een stukje stroomafwaarts van waar de M5-snelweg over de rivier denderde. Ze was blond, een meter zeventig lang, had geen lichaamshaar en was deels door meeuwen aangevreten. Van het zachte weefsel van haar buik en borsten was weinig meer over, en zoals meestal het geval is bij lijken die enige tijd aan de elementen zijn overgeleverd, waren de ogen uit hun kassen verdwenen. In het kader van de identificatie had Jenny erop gestaan dat er glazen ogen ingezet werden. Die waren onnatuurlijk blauw, waardoor haar gezicht een domme en popperige indruk maakte.

Alison Trent, medewerkster van de onderzoeksrechter, had geregeld dat een paar mensen die haar mogelijk zouden kunnen identificeren op een vrijdagnamiddag naar het lijkenhuis zouden komen, maar ze werd op het laatste moment naar een supermarktmagazijn weggeroepen, waar in een koeltrailer, tussen een lading uit Frankrijk geïmporteerde runderkadavers, de lijken van drie Afrikaanse jonge mannen waren ontdekt. Liever dan de families in spanning te laten, ging Jenny met tegenzin eerder van kantoor weg om zelf de leiding in het mortuarium op zich te nemen.

Het was de laatste week van januari en ijskoude, natte sneeuw viel diagonaal uit de loodgrijze hemel. Het was nog geen vier uur en het daglicht was al vrijwel verdwenen. Toen Jenny aankwam, stonden in de onbemande receptieruimte van het lijkenhuis, aan de achterkant van het ziekenhuis, een stuk of tien mensen te wachten. De antieke radiatoren stonden ofwel niet aan, ofwel ze waren kapot. De koppels stonden onderling met elkaar te fluisteren en hun adem steeg in wolkjes op. De meesten waren ouders van middelbare leeftijd met op hun gezicht een angstige uitdrukking, die dieper liggende gevoelens als schuld en schaamte maskeerde. Hoe heeft het zover kunnen komen, leken hun sombere, gerimpelde gezichten te zeggen.

Omdat er niemand beschikbaar was om bij de gerechtelijke schouwing te assisteren, moest Jenny de groep als een schooljuffrouw uitleggen dat ze om de beurt door de klapdeuren naar de koelcel achter in de gang moesten lopen. Ze waarschuwde hen dat het lijk wellicht niet meteen herkenbaar was en vertelde dat ze hun dna-monsters naar een particulier laboratorium konden laten sturen, zodat ze met die van Jane Doe konden worden vergeleken; dat kostte niet heel veel, maar haar karige budget liet dat net toe. Ze schreven plichtsgetrouw het e-mailadres en telefoonnummer van het bedrijf op, maar een van hen, merkte Jenny op, deed dat niet. Hij vulde ook niet zijn gegevens in op de lijst van degenen die geïnformeerd wilden worden voor het geval er andere ongeïdentificeerde lijken zouden opduiken. In plaats daarvan stond de lange, magere man van ergens halverwege de vijftig een beetje apart van de groep. Zijn ingevallen, door de zon verweerde gezicht was uitdrukkingsloos. Het enige teken van bezorgdheid dat hij vertoonde was dat hij zo nu en dan met zijn hand door zijn korte, met grijs doorstreepte haar woelde. Jenny zag zijn fascinerende groene ogen en hoopte dat hij niet zou hoeven huilen.

Er waren altijd tranen.

Het gebouw was dusdanig ingericht dat het voor de bezoekers niet schokkender kon zijn. Tijdens de twintig meter lange wandeling door het mortuarium moesten ze langs een lange rij brancards, waarop stuk voor stuk een in glanzend wit polytheen gewikkeld lijk lag. In de bedompte lucht hing een verstikkende stank van bederf, ontsmettingsmiddelen en een vleug clandestiene sigarettenrook. De drie echtparen maakten om de beurt de tocht door de gang en zetten zich schrap om het onbedekte hoofd en schouders van Jane Doe te bekijken; haar huid begon nu geel en perkamentachtig te worden. De een na de ander schudde het hoofd. Uit hun gezicht spraken opluchting en een mengeling van onzekerheid en angst voor nog komende, vergelijkbare beproevingen.
De man met de groene ogen sjokte er niet zoals de anderen naartoe. Hij liep er met afgemeten voetstappen op af en bewoog zich bruusk en zakelijk, maar leek toch een zeker verdriet of onzekerheid te maskeren die Jenny als smart interpreteerde. Zonder terughoudendheid keek hij naar het gezicht van Jane Doe; hij nam haar even nauwlettend op en schudde toen resoluut zijn hoofd. Nieuwsgierig vroeg Jenny hem naar wie hij op zoek was. Met een beschaafd trans-Atlantisch accent legde hij kort uit dat zijn stiefdochter een rondreis door Groot-Brittannië maakte en dat ze al een paar weken niets van zich had laten horen. Haar laatste e-mail was verzonden vanuit een internetcafé in Bristol. De politie had hem over dit lijk verteld. Voordat Jenny iets kon antwoorden draaide hij zich om en vertrok even snel als hij gekomen was.

Meneer en mevrouw Crosby kwamen na de groep aan. Hij was achter in de vijftig en gekleed in het zakenkostuum dat paste bij iemand met een hoge functie in het bedrijfsleven; zij was een paar jaar jonger en had de goed geconserveerde gelaatstrekken en het zachtere voorkomen van een vrouw die nooit van haar leven had hoeven werken. Bij hen was een jonge man van achter in de twintig, eveneens strak in het pak en met een stropdas. Meneer Crosby stelde hem stijfjes voor als Michael Stevens, de vriend van zijn dochter. Hij leek slecht op zijn gemak toen hij dat zei: een vader die nog niet bereid was om de genegenheid van zijn volwassen dochter over te dragen. Jenny glimlachte meelevend naar hen en sloeg hen gade terwijl ze naar het lijk keken-  hoe ze de contouren van het starende, levenloze gezicht in zich opnamen, een blik met elkaar wisselden en hun hoofd schudden.

“Nee, dit is niet Anna Rose,” zei mevrouw Crosby met een spoortje twijfel. “Zulk lang haar heeft ze niet.”
Haar man leek tevreden met die verklaring, maar de jonge man wierp er nog een steelse blik op. Jenny zag dat hij slim genoeg was om te weten dat de doden er misleidend anders konden uitzien dan de levenden.
“De ogen zijn van glas,” zei ze, “dus de kleur kan afwijken. Er zijn geen specifieke kenmerken en het lichaam was helemaal kaalgeschoren.”
Meneer Crosby vuurde een vragende blik op haar af.
“Ze heeft geen lichaamshaar,” legde zijn vrouw uit.
Hij slaakte een afkeurende grom.
“Ze is het niet,” zei Michael Stevens uiteindelijk. “Nee, ze is het absoluut niet.”
“Als u ook maar enigszins twijfelt, raad ik u aan een dna-test te laten doen,” zei Jenny tegen de ouders.
“We hebben Anna Rose geadopteerd,” zei mevrouw Crosby, “maar ik denk dat we wel iets van haar kunnen vinden. Een haarborstel is toch wel goed?”
“Een haarmonster is prima.”
Meneer Crosby bedankte haar op zakelijke toon en legde een hand op de onderrug van zijn vrouw, maar toen hij haar weg wilde leiden, draaide ze zich naar Jenny om.
“Anna Rose wordt nu tien dagen vermist. Ze heeft natuurkunde gestudeerd, ze werkt met Mike in Maybury. Ze zit niet in de problemen en leek volkomen gelukkig met haar leven.” Mevrouw Crosby zweeg even om zich te vermannen. “Hebt u ooit zoiets meegemaakt?”
Meneer Crosby, die zich voor de naïviteit van zijn vrouw geneerde, sloeg zijn ogen neer. Mike Stevens keek onzeker naar de beide ouders van zijn vermiste vriendin. Er stond schrik in zijn ogen te lezen. Hij begreep er niets van.
“Nee. Niet zo vaak,” zei Jenny. “Naar mijn ervaring is er bij zelfmoord – als u daar soms aan mocht denken – altijd sprake van een depressie. Als de persoon in kwestie u erg na staat, dan zou ik denken dat u dat wel zou weten.”
“Dank u,” zei mevrouw Crosby. “Dank u wel.”

Haar man nam haar mee.
Mike Stevens keek Jenny kort aan, alsof hij ook een vraag had, leek het wel, maar die hield hij voor zich, uit verlegenheid of omdat het buiten het gezinsprotocol viel, en hij liep achter de Crosby’s aan naar buiten.

Toen ze uit het zicht waren verdwenen, herinnerde Jenny zich vagelijk iets wat ze op de radio had gehoord, een item over een jonge vrouw die uit haar huis in Bristol vermist werd: een stagiaire van Maybury, de ontmantelde kerncentrale, vijf kilometer ten oosten van de Severn Bridge. De laatste tijd was er in de plaatselijke media veel discussie geweest over Maybury en de andere drie gesloten centrales aan de riviermonding: er was een nieuwe generatie wetenschappers gerekruteerd om de vijftig jaar oude reactor te ontmantelen en de nieuwe te bouwen waar de regering groen licht voor had gegeven. Toen ze naar de verhitte telefoondiscussies luisterde, had Jenny het idealisme uit haar jonge jaren voelen opborrelen, dat herinneringen opriep aan weekendtrips met medestudenten naar vredeskampen bij Amerikaanse luchtbases. Ze vond het maar vreemd dat een generatie later een jonge vrouw een carrière was begonnen in een branche waarvan zij in haar vormende jaren had geloofd dat die alles vertegenwoordigde wat corrupt en gevaarlijk was in de wereld.
Jenny deed een latex handschoen aan, trok het stuk plastic over het gezicht van Jane Doe en duwde de zware lade dicht.
Nadat het mortuarium het vijf maanden lang uitsluitend had moeten doen met een aaneenschakeling van onbetrouwbare waarnemers, arriveerde er op maandag een nieuwe fulltime patholoog-anatoom. Jenny keek uit naar stipte postmortemverslagen, en dat ze niet haar middagen hoefde te verdoen met klusjes die zijn personeel hoorde op te knappen. Het was niet eenvoudig om als onderzoeksrechter je professionele waardigheid te behouden wanneer je afdeling met een uitgekleed budget te kampen had, en hoewel ze inmiddels honderden lijken in verschillende stadia van ontbinding en bederf had gezien, was ze nog steeds doodsbang in de buurt van dode lichamen.

Ze gooide de gebruikte handschoen weg en haastte zich zo snel mogelijk op haar naaldhakken naar buiten de bijtende kou in. Ze had een afspraak, en die moest ze nakomen.

Het grootste deel van haar tijd bij dr. Allen werd in beslag genomen door de dood en haar ongemakkelijke relatie daarmee. Tijdens hun tweewekelijkse sessies in de spreekkamer van het Chepstow-ziekenhuis, altijd in de vooravond, had ze slechts trage vorderingen gemaakt en qua inzicht was ze ook niet veel verder gekomen. Maar Jenny had het gered met een regime van antidepressiva en bètablokkers, en ze had zijn verbod op alcohol en kalmerende middelen in hoge mate gerespecteerd. Hoewel haar algehele angststoornis absoluut nog niet genezen was, was die in de afgelopen vijf maanden dankzij medicijnen binnen de perken gebleven.

Zoals altijd reikte dr. Allen met zijn frisse gezicht plichtsgetrouw naar het dikke zwarte notitieboek dat hij exclusief voor de sessies met haar reserveerde. Hij bladerde naar de vorige aantekeningen en las ze zorgvuldig door. Jenny wachtte geduldig, erop voorbereid om beleefd te antwoorden op de vragen over haar zoon, Ross, waarmee hij meestal begon. Na een poosje merkte ze dat het vandaag anders was. Dr. Allen leek ergens in verdiept, hij was afgeleid.

“Dromen…” zei hij. “˜Ik hecht er meestal niet veel waarde aan. Meestal herkauwen ze de rommel van overdag, maar ik moet bekennen dat ik iets over het onderwerp heb gelezen.” Hij hield zijn blik halsstarrig op het boekje gericht.
“O ja?”
“Ja. Tijdens mijn studie heb ik wat aan de analyse van Jung gesnuffeld, maar dat werd niet echt aangemoedigd; volgens mijn professor was het een doodlopende weg, herinner ik me nog. Ik heb nooit een cliënt meegemaakt die is genezen doordat hij de betekenis van zijn dromen doorgrondde.”
“Zit u nu door mij in zak en as?”
“Helemaal niet.” Hij bladerde terug door zijn notities, op zoek naar een eerdere sessie. “Ik herinner me alleen dat je vroeger, voordat je medicijnen kreeg, nogal levendige dromen had. Ja…” Hij had gevonden wat hij zocht. “In de muur van je kinderslaapkamer een dreigende open scheur, die uitkwam op een donkere, afschrikwekkende ruimte erachter. Een angstaanjagende aanwezigheid die zich daar schuilhield, die je nooit kon zien of waar je je zelfs maar een beeld van kon vormen… een onuitsprekelijk soort afgrijzen.”
Jenny voelde haar hart zwellen, er schoot een golf hitte over haar gezicht, angst fladderde in haar plexus solaris. Ze deed haar best haar stem in bedwang te houden. Wees kalm, blijf kalm, zei ze keer op keer in stilte tegen zichzelf.
“Inderdaad. Vroeger had ik dat soort dromen.”
“Hoe oud was je toen je ze voor het eerst kreeg?” Hij sloeg een blanco pagina op, in de aanslag en alert.
“Begin dertig, vermoed ik.”
“Een stressvolle tijd, met de combinatie van werk en moederschap?”
“Ja.”
“En hoe oud ben je in je droom, als dromer?”
“Ik ben een kind.”
“Weet je dat zeker?”
“Ik zíé mezelf nooit… Ik denk het gewoon.”
“En als kind voelde je je hulpeloos? Doodsbang voor een dreiging waarover je geen macht hebt?”
Ze knikte. “Volgens mij weet ik wat u nu gaat zeggen.”
“Wat dan?”
“Dat het niets met mijn jeugd te maken heeft. Dat de droom alleen maar een weerspiegeling is van mijn angst en verlamming.”
“Dat is één interpretatie.” Zijn gezicht betrok omdat ze zijn theorie zo gemakkelijk had doorzien.
“Inderdaad. Maar van mijn hele vierde levensjaar kan ik me nog steeds niets herinneren. En u maakt me niet wijs dat ik me dat verbeeld.” Ze keek hem doordringend aan, zodat hij er even het zwijgen toe deed.
“Er is één stroming die beweert dat een gat in de herinnering een onderbewust verdedigingsmechanisme is,” zei hij, “een buffer, zo je wilt, een leegte waarin de bewuste geest een geloofwaardige reden, een logische verklaring voor de angst kan projecteren. Een intelligent, rationeel brein als het jouwe, zo luidt de theorie, zou kiezen voor het meest voor de hand liggende antwoord en daarmee genoegen nemen: hoewel de pijn blijft bestaan, moet je geest zich tevredenstellen met de wetenschap dat de oorzaken onbekend blijven…”
Ze onderbrak hem. “Zo is het ook.”
“Maar stel dat we naar de verkeerde oorzaak zoeken? Stel dat de oorzaak volslagen simpel en duidelijk is… Alleen maar stress, bijvoorbeeld?”
Jenny stond zichzelf toe om over die mogelijkheid na te denken, hoewel ze zich ervan bewust bleef dat hij haar wellicht eerder wilde overrompelen door haar met een nieuw inzicht af te leiden, waarna hij met de indringende vraag zou toeslaan als zij even niet oplette. Ze wachtte tot hij verder zou gaan, maar dat deed hij niet.
“Nou, wat denk je?” zei hij, terwijl zijn ogen oplichtten omdat zijn diagnose zo vernuftig eenvoudig was.
“Het volgende dat u me gaat vertellen is dat ik nu een lange vakantie moet nemen of een andere baan moet zoeken.”
Er kwam nu een onbuigzamere klank in zijn stem. “Wees eerlijk, die beproefde en uitgeteste methoden wilde je per se níét uitproberen.”
Jenny streek de kreukels in haar rok glad om haar moedeloosheid te camoufleren. “Is dit een beleefde manier om me te vertellen dat uw mogelijkheden nu uitgeput zijn, dat u niets meer voor me kunt doen?”
“Ik probeer alleen het voor de hand liggende uit te sluiten.”
“En als dat is gebeurd?”
“Minstens een lange vakantie…”
“Ik zal u vertellen wat er tijdens vakanties met mij gebeurt: dan komt alles in golven over me heen. De angst, de ongewenste gedachten, irrationele schrikbeelden, dromen…” Ze wachtte even. Haar tong voelde dik aan in haar mond, een recente toevoeging aan haar steeds breder wordende palet van symptomen.
“Wat is er, Jenny?”
Ze zag de tranen in haar schoot vallen nog voor ze die had voelen opkomen.
“Waarom moet je huilen?”
Er was geen directe aanleiding, alleen een vaag, bekend angstgevoel dat langzaam, als een paar reusachtige, verstikkende handen, zijn greep op haar geest verstevigde. “Ik weet het niet…”
“Het laatste woord dat je zei was dromen.”
Opnieuw een tranenstroom, en de ontluikende angst werd scherper. Er ging een rilling door haar lichaam, waarna ze met trillende handen naar de altijd klaarstaande doos tissues reikte.
“Vertel me eens over je dromen.”
Ze wilde haar hoofd schudden “ de medicijnen hadden haar dromen geblokkeerd, of haar ervan gered “ maar toen flitste er een beeld achter haar ogen, een enkel venster dat een verband legde met haar angst, waardoor er een nog hevigere rilling als een lichte elektrische schok door haar heen ging.
“Heb je gedroomd?”
“Ik had er een… altijd dezelfde…” Haar woorden kwamen er tussen de ingehouden snikken door hakkelend uit.


Lees “De oproep” zelf!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *