Voorpublicatie: De openbaring van Roderer

Uitgeverij Signatuur komt weer met een nieuwe titel van Guillermo Martinez: “De Openbaring van Roderer”. Met dank aan de uitgever kunnen we een voorproefje bieden.

1.

Ik zag Gustavo Roderer voor het eerst aan de bar van Club Olympus, waar alle schakers van Puente Viejo zich ’s avonds verzamelden. De club was wel zo twijfelachtig dat mijn moeder altijd zachtjes protesteerde wanneer ik ernaartoe ging, maar ook weer niet zó twijfelachtig dat mijn vader het me verbood. De schaaktafels stonden achterin; het waren er niet meer dan vijf of zes, met de geruite borden uitgekerfd in het hout. In de rest van de ruimte werd gekaart of gedobbeld in snelle, nerveuze rondes, waarbij het rollen van de dobbelstenen en de stemmen die zich verhieven om gin te bestellen in de loop van de avond steeds dreigender gingen klinken.

Overtuigd als ik ervan was dat grote schakers zich trots en hooghartig afzijdig moesten houden van al het aardse, bekeek ik die rumoerige wereld met een serene afkeer, al stoorde het me “en was het dodelijk voor mijn zelfvoldane morele superioriteit “ dat die afwijzende houding van mij samenviel met de deugdzame argumenten van mijn moeder. Nog verontrustender was mijn ontdekking dat beide werelden niet volledig van elkaar gescheiden bleken te zijn; iemand had me verteld dat veel van de spelers aan de andere tafels ooit tot de meest getalenteerde schakers van het dorp hadden behoord, alsof een onweerstaanbare fascinatie, een mysterieuze omkering van de intelligentie, de besten van hen vroeg of laat naar de overkant had gelokt. Later had ik gezien hoe Salinas, die op zijn zeventiende de sterkste speler van de provincie was, langzaam maar zeker in hun richting was opgeschoven, en ik had gezworen dat mij dat niet zou overkomen.

 

De avond dat ik Roderer leerde kennen was ik van plan om een miniatuur uit de Informator na te spelen en misschien een paar partijtjes te spelen met de oudste van de gebroeders Nielsen. Roderer stond aan de bar te praten met Jeremías, of preciezer uitgedrukt: de oude barkeeper praatte tegen Roderer, vanachter steeds een ander glas dat hij tegen het licht hield, terwijl Roderer,die al niet meer naar hem luisterde, naar het snelle ronddraaien van de theedoek en het fonkelen van de glazen in de lucht keek, met die afwezige blik waarmee hij zich midden in een conversatie van alles en iedereen kon afsluiten. Zodra hij me zag gebaarde Jeremías dat ik bij hem moest komen.
“Deze jongen,” zei hij, “zegt dat hij hier is komen wonen. Hij zoekt iemand om tegen te spelen.” Roderer ontwaakte half uit zijn gepeins en bekeek
me enkele seconden zonder al te veel nieuwsgierigheid. Hoewel ik in die tijd mijn hand nog zonder aarzeling uitstak, omdat ik die eerbiedwaardige en afstandelijke mannenbegroeting een van de grootste verrijkingen van de adolescentie vond, hield ik me in en noemde ik alleen mijn naam: hij had iets over zich dat elk fysiek contact leek te ontmoedigen.

We gingen aan de achterste tafel zitten. Met twee pionnen lootten we om de kleur; ik bleek wit te hebben. Roderer zette zijn stukken heel langzaam neer; ik vermoedde dat hij het spel nauwelijks beheerste, en omdat ik door een van de spiegels zag dat Nielsen was binnengekomen, opende ik met e2-e4 in de hoop de partij snel met een gambiet te kunnen beslissen. Roderer dacht lang na, tergend lang, en bracht zijn koningspaard naar f6. Een onaangename verrassing: sinds enige tijd was ik juist die opening, de Aljechinverdediging, aan het bestuderen om met zwart te gebruiken tijdens het jaarlijkse Open Schaaktoernooi. Ik was daar bijna per toeval op gestuit in de Schaakencyclopedie en onmiddellijk had alles eraan mijn bewondering gewekt: die eerste zet met het paard, die op het eerste gezicht nogal extravagant leek, of zelfs kinderlijk; de heroïsche, bijna hoogmoedige wijze waarop zwart vanaf de eerste zet de meest begeerde trofee van de opening prijsgaf – de controle over het centrum “ in ruil voor een onbestemd en mistig positioneel voordeel, en vooral, en dat was de reden waarom ik deze opening grondig was gaan bestuderen, het feit dat dit de enige opening was die wit niet kon afwijzen of een andere richting op kon sturen.

In Puente Viejo, waar de Spaanse opening, het klassieke damegambiet of op zijn hoogst een variant van het Siciliaans werd gespeeld, kende uiteraard niemand
de Aljechinverdediging; ik hield mijn nieuw verworven kennis angstvallig voor me tot het toernooi zou beginnen. En ineens, waar iedereen bij was, speelde deze nieuweling hem tegen mij. Natuurlijk bestond altijd de mogelijkheid “ en aan die gedachte gaf ik de voorkeur “ dat de zet met het paard uit onbeholpenheid voortkwam, dat het een beginnerszet was. Ik schoof mijn pion door naar e5 en Roderer dacht weer veel te lang na voordat hij zijn paard naar d5 verplaatste. Dit ging zo verschillende zetten door: ik volgde nauwgezet de variant uit de Schaakencyclopedie en Roderer nam heel lang de tijd voor zijn tegenzet, maar koos uiteindelijk altijd precies de juiste, zodat ik onmogelijk kon besluiten of hij de opening kende of dat zijn zetten hem werden ingegeven door een bepaalde trefzekere intuïtie, die hem bij de eerste serieuze aanval ongetwijfeld al snel in de steek zou laten.
Langzaam lieten we alle zekerheden los en betraden we het niemandsland dat zich uitstrekt na de openingszetten, dat open terrein waarin het spel pas echt
begint. Het geroezemoes uit het andere gedeelte van de zaal drong nog maar nauwelijks tot me door, alsof het ergens halverwege werd gedempt. De kaarttafels, die blauw stonden van de rook, leken op een fantastische manier heel ver van ons vandaan te staan en zelfs de belangstellenden die bij onze tafel waren komen staan om de partij te volgen, al die bekende gezichten, vervaagden en leken zich op grote afstand te bevinden, zoals je de mensen op het strand ziet wanneer je de zee in bent gezwommen. Ik keek weer naar Roderer.
Ik weet dat er later vrouwen in het dorp waren die hevig naar hem verlangden; ik weet dat mijn zusje wanhopig van hem hield. Hij had donkerblond haar, waarvan een lok voortdurend over zijn voorhoofd viel. Hoewel ik wel zag dat hij waarschijnlijk niet ouder was dan ik, leken zijn gelaatstrekken al volwassen, alsof ze bij het verlaten van de kindertijd meteen hun defi nitieve vorm hadden gekregen, een vorm die niet tot een bepaalde leeftijd was te herleiden. Hij had donkere ogen, met een schittering erin die bij oppervlakkige beschouwing onopgemerkt bleef, een licht dat vanuit de verte leek te schijnen en “ al viel me dat pas later op “ dat er altijd was, alsof hij een kaars brandend hield terwijl hij geduldig de wacht hield. Wanneer er van buitenaf een beroep op werd gedaan, kwamen ze plotsklaps tot leven en boorden ze zich diep, bijna dreigend naar binnen, hoewel dat maar een moment duurde omdat Roderer ze onmiddellijk weer afwendde, alsof hij zich ervan bewust was dat zijn blik mensen een ongemakkelijk gevoel bezorgde. Vooral zijn handen trokken de aandacht, maar noch tijdens de partij, ondanks dat ik ze bij elke zet over het bord zag bewegen, noch later, tijdens de verschillende keren dat we met elkaar spraken, slaagde ik erin voor mezelf te omschrijven wat er zo bijzonder aan was. Jaren later las ik in een van de weinige boeken die er van zijn bibliotheek waren overgebleven de passage die Lou Andreas-Salomé aan de handen van Nietzsche had gewijd en besefte ik dat Roderer gewoon mooie handen moest hebben gehad.
Van de partij staan me niet alle details meer bij; wel herinner ik me mijn verbijstering en het gevoel van machteloosheid dat me overviel toen ik merkte dat
Roderer een voor een al mijn aanvallen neutraliseerde, zelfs de aanvallen die ikzelf buitengewoon scherp vond.
Hij had een vreemde manier van spelen en leek mijn zetten nauwelijks op te merken, alsof die er voor hem eigenlijk niet toe deden. Zijn eigen manoeuvres maakten een onsamenhangende, grillige indruk; hij bezette een veld diep in mijn stelling of verschoof een op dat moment minder relevant stuk, en ik kon mijn plannen tot op zekere hoogte vrijelijk uitvoeren, maar dan merkte ik opeens dat zijn stelling door een paar van die zetten een kleine, subtiele verandering had ondergaan, die echter voldoende was om mijn berekeningen hun zin te laten verliezen. Was het later, in mijn hele relatie met hem, in wezen niet ook zo gegaan? Was ook dat niet een duel geweest waarin al mijn pogingen om hem te raken tevergeefs bleken? Het merkwaardigst was misschien nog dat Roderer niet bereid leek om ook maar één keer een tegenaanval uit te voeren. Mijn stukken werden nergens zichtbaar bedreigd, en toch voelde ik bij elk van die incongruente zetten gevaar, had ik het gevoel dat iets waarvan de bedoeling mij ontging, iets nauwelijks waarneembaars, onverbiddelijk vorm aan het krijgen was.
De partij was meer en meer op slot komen te zitten: alle stukken stonden nog op het bord. Op een bepaald moment zag ik Salinas naast de tafel staan, met een glas in zijn hand. Terwijl hij een slok nam vormde zich het begin van een sardonische grijns op zijn gezicht, die nog niet verdwenen was toen hij werd weggeroepen omdat hij aan de beurt was met de dobbelstenen. Even later zag ik Nielsen weggaan; hij groette me vanuit de deur met een gezichtsuitdrukking die ik niet begreep.
Langzaam liep het café leeg. Jeremías zette de stoelen omgekeerd op de lege tafels. Nu was ik het die over elke nieuwe zet lang nadacht; ik had mijn stukken gericht op een van zijn pionnen, een vleugelpion. Deze laatste aanval bleek, net als alle voorgaande, zinloos: de pion waarvan ik had gedacht dat hij zwak en geïsoleerd was, bleek na elke tegenzet beter beschermd, tot hij zelfs volkomen ontoegankelijk was geworden. Ik bleef met mijn meest vooruitgeschoven stukken manoeuvreren om de aanval langzaam verder te ontwikkelen, niet omdat ik nog enige hoop koesterde, maar omdat ik te uitgeput was om nog iets nieuws te proberen. Toen het me gelukt was om ze allemaal te hergroeperen, schoof Roderer plotseling zijn pion naar voren en stonden de beide koninginnen recht tegenover elkaar. Ik voelde een koude rilling over mijn rug lopen; dat wat ik zo gevreesd had, stond nu op het punt te gebeuren. Ik wierp een blik op de nieuwe stelling: de dameruil die Roderer voorstelde zou vanwege de opeenvolging van zetten die ik zelf had uitgelokt tot een totale slachting leiden. Ik kon me echter geen beeld vormen van de stelling die daar vervolgens uit zou resulteren. Ik kon vijf, zes zetten vooruit denken, maar daar bleef het bij. Ook kon ik mijn koningin nergens in veiligheid brengen: de ruil was gedwongen. In elk geval hoefde ik daardoor niet verder na te denken. Aan beide kanten
vielen de stukken gedisciplineerd; er klonk een droge tik bij elk stuk dat van het bord werd geslagen. Hoeveel zetten, vroeg ik me vol ongeloof af, had hij vooruit gedacht? Ten slotte, toen het bord vrijwel leeg was, zag ik waar het hem om te doen was geweest: de pion die ik met alle geweld had willen aanvallen had nu een vrije doortocht, en Roderer schoof hem een veld naar voren. Ik zocht snel naar mijn eigen pionnen en telde vertwijfeld de tempi, maar het was te laat: de pion van Roderer zou promoveren, die van mij niet.
Ik gaf op. Terwijl ik opstond bekeek ik het gezicht van mijn rivaal: ik verwachtte denk ik een van die gezichtsuitdrukkingen te zien die ikzelf niet kon onderdrukken wanneer ik had gewonnen, een flikkering van tevredenheid in zijn ogen, een slecht gemaskeerde glimlach.
Maar Roderer keek ernstig, alsof de partij hem al niet meer bezighield; hij had zijn donkerblauwe jas dichtgeknoopt en wierp een rusteloze blik op de
deur. Zijn gezicht drukte besluiteloosheid en ergernis uit, alsof hij met een minuscuul probleem worstelde, een onzinnig dilemma, waar hij echter geen oplossing voor vond. We waren als enigen overgebleven; wat hij maar niet kon besluiten, realiseerde ik me ineens, was of hij op me moest wachten om samen naar buiten te gaan of dat hij nu meteen afscheid kon nemen en er alleen vandoor kon gaan. Ik kende dat soort kwellingen goed, maar tot dan toe had ik gedacht dat ik de enige was die daar last van had: de onmogelijkheid om te kiezen tussen twee triviale, volkomen inwisselbare opties, de verschrikkelijke twijfel van de intelligentie, die heen en weer schiet tussen de ene en de andere mogelijkheid en geen keuze kan maken, die in een vacuüm naar argumenten zoekt zonder het beslissende te vinden, terwijl het gezonde verstand haar ophitst en spottend toeroept: het maakt niet uit, het maakt niet uit. Het was verwarrend om bij een ander, en ook nog eens veel intenser, de tekenen van die rampzalige eigenschap te zien, die misschien belachelijk was, maar
die ik tot dat moment als mijn meest exclusieve bezit had beschouwd. “Ik kom eraan,” zei ik om hem van zijn probleem te verlossen. Hij knikte dankbaar. Ik gaf Jeremías de doos met de schaakstukken terug en haalde hem in op de trap. Toen we buiten stonden vroeg ik waar hij woonde; het was een van de huizen achter de duinen; we konden een blok samen oplopen.
De vakantie liep ten einde en de lucht voerde die troosteloze kou mee die het begin van de herfst aankondigt. De zomergasten waren vertrokken; het dorp
was weer leeg en stil. Roderer luisterde naar het ruisen van de zee in de verte; hij leek niet genegen tot een gesprek. Plotseling begonnen langs de weg honden te blaffen. Ik had het idee dat Roderer nerveus werd en ze in het donker probeerde te lokaliseren. “Je hebt hier veel loslopende honden,” zei ik. “De
mensen laten ze aan het eind van het seizoen in de steek.” Roderer zei niets. Ik vroeg hem naar welke school hij van plan was te gaan.
“Dat weet ik niet.” Hij zei het op een ernstige en scherpe toon, alsof het om een vraag ging die hem al te veel hoofdbrekens had bezorgd en hij er niet meer
over wilde nadenken.
“Niet dat er zo veel te kiezen valt; je hebt het Mariano Moreno-college, waar ik naartoe ga, en anders het Don Bosco.”
Roderer schudde zijn hoofd. “Ik weet nog niet of ik überhaupt wel naar school zal gaan,” zei hij.


Lees “De openbaring van Roderer” zelf!

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *