Voorpublicatie: De Heelmeesters (deel 2)

Dit is deel twee van een serie van zes voorpublicaties.

Het boek “De Heelmeesters”, van Abraham Verghese, ligt vanaf 10 juni in de winkel

Zonder een kreet of zucht te slaken onderging zuster Mary Joseph Praise de barensweeën van haar catastrofale bevalling. Maar net achter de klapdeur in de kamer naast OK-3 brulde en huilde de bovenmaatse autoclaaf (geschonken door de lutherse kerk in Zürich) om mijn moeder, terwijl de kokend hete stoom de chirurgische instrumenten en doeken steriliseerde die bij haar gebruikt zouden worden. Want tijdens de zeven jaar die ze voor onze wrede komst in Missing had doorgebracht, had mijn moeder in een hoekje van de kamer met de autoclaaf, vlak naast dat roestvrijstalen monster voor zichzelf een heiligdom ingericht.


Haar lessenaar-met-stoel, die gered was uit een opgedoekte missieschool en nog de ingekraste wanhoop van menige leerling droeg, stond tegen de muur. Aan de gepleisterde wand boven de lessenaar had mijn moeder een kalenderplaat van Bernini’s beroemde beeld van de heilige Theresia van Avila opgehangen.
De heilige Teresa ligt er slap bij, alsof ze is flauwgevallen, haar mond geopend in extase, haar blik troebel, de ogen halfgeloken. Aan de zijkanten kijken omstanders vanaf hun bidstoel voyeuristisch op haar neer. Met een lichte glimlach en een gespierder lichaam dan zijn jeugdige gezicht betaamt, staat een jongensachtig engeltje boven de heilige, sensuele zuster.

Met de vingertoppen van zijn linkerhand licht hij een tipje van het doek op dat haar boezem bedekt. In zijn rechterhand houdt hij een pijl vast, zo gracieus als een violist zijn strijkstok vasthoudt. Waarom die afbeelding? Waarom Sint Theresia, moeder? Als jongetje van vier verstopte ik me in die raamloze kamer om die afbeelding te bekijken.

Er was meer dan moed voor nodig om door die zware deur te gaan, maar het gevoel dat ze daar was, mijn obsessie om de non te leren kennen die mijn moeder was, gaven me kracht. Ik zat naast de autoclaaf die dreunde en siste als een wakker wordende draak, alsof het bonken van mijn hart het beest had gewekt. Wanneer ik aan mijn moeders lessenaar zat, daalde er geleidelijk een soort rust over me neer, het gevoel dat ik contact met haar had. Later begreep ik dat niemand haar vest had durven weghalen van de stoel waar het overheen hing. Het was een heilig voorwerp. Maar voor een vierjarige is alles heilig en gewoon tegelijk. Ik sloeg dat naar desinfecterende zeep ruikende kledingstuk om mijn schouders. Ik liet mijn nagel over de rand van de uitgedroogde inktpot glijden en kwam zo op de plekken waar haar vingers ook waren geweest.

Wanneer ik zittend in die raamloze kamer opkeek naar die kalenderplaat, precies zoals zij gedaan moest hebben, raakte ik gebiologeerd door die afbeelding. Jaren later begreep ik dat Sint Theresia’s terugkerende visioen van de engel de ‘transverberatie’ werd genoemd, wat betekent dat er door de liefde van God een vuur in de ziel ontstoken werd en het hart werd ‘geïnjecteerd’ door goddelijke liefde; de metaforen van haar geloof waren ook de metaforen van de geneeskunde. Als vierjarige had ik geen woorden als transverberatie nodig om ontzag voor die afbeelding te voelen.

Dit was deel twee van een serie van zes previews van het nieuwe boek van Abraham Verghese: “De Heelmeesters” (vertaald door Otto Biersma en Paul Bruijn en uitgegeven door “De Bezige Bij”), dat vanaf 10 juni in de boekwinkel verkrijgbaar is.

Morgen: deel drie van deze serie.


“De Heelmeesters” zelf lezen?

De heelmeesters
De heelmeesters
Verghese, A.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *