Sneak Preview: Zeven pogingen om een geliefde te wekken

Voorpublicatie van het begin van “Zeven manieren om een geliefde te wekken” van Ineke Riem:

De dag nadat bekend werd dat countrylegende Willie Nelson zijn lange haar, al meer dan veertig jaar zijn handelsmerk, had laten afknippen omdat hij het zat was dat het steeds stug werd en pluisde als hij op vakantie naar Hawaï ging, trof Lioba Hoogenboom op de rommelmarkt van Oudering een van zijn eerste platen aan. Op de hoes ervan stond een ovaal portret, getekend in roodbruine tinten – contékrijt, dacht het meisje,

maar de achtergrond was waarschijnlijk aquarel. De man die was afgebeeld droeg een cowboyhoed en een doek om zijn hals; hier en daar schemerde wat goudgeel door zijn volle baard. De tekening deed Lioba denken aan een oude foto van haar grootvader, ook een muzikant. Maar Brok was na zijn wilde jaren neergestreken in de polder en ging niet eens zwemmen in het recreatiemeertje bij Abbenbroek, waardoor de noodzaak om zíjn indianenvlecht af te laten knippen zich tot nu toe niet had voorgedaan. Lioba kuchte om de aandacht van de man achter de kraam te trekken, maar hij was in gesprek met een andere man, die van de tweedehands boeken. Beiden hadden onberispelijke strijkvouwen in het donkerblauwe t-shirt dat elke vrijwilliger droeg, met een witte prent erop van het kleine dorp op Voorne-Putten.

‘Sorry?’ probeerde het meisje. Ze wapperde met de plaat. Toen dat geen effect had, pakte ze een briefje van vijf euro uit het ouderwetse beugelportemonneetje dat aan een ketting om haar middel hing. ‘Is dit genoeg?’ vroeg ze terwijl ze het geld op een stapel lp’s legde. De man van de platen kwam geërgerd in beweging. ‘Willie Nelson, Red Headed Stranger?’ informeerde hij. ‘Die plaat is vier keer zoveel waard.’ Hij begon een heel verhaal over de lp op te hangen; blijkbaar was het het album waarmee de Texaan tegen ieders verwachting in als zanger was doorgebroken nadat hij jarenlang zijn geld had verdiend met het schrijven van liedjes voor anderen.
De kleindochter van de muzikant deed geen moeite om af te dingen en viste een ander briefje uit haar portemonnee, dat ze de man van de platen toestak zonder hem aan te kijken. Daarna klemde ze het album onder haar arm, tilde haar
hoepelrok iets op en vervolgde haar weg over de markt, die in alle vroegte was opgebouwd op de Dorpsring, een van de oudste straten van het gehucht, idyllisch gelegen rondom een eilandje met de dorpskerk. Dit bouwwerk moest het sinds een felle brand aan het begin van de vorige eeuw wel zonder toren stellen – al bijna honderd jaar had niemand het de moeite waard gevonden het godshuis te restaureren.

Ter hoogte van de voormalige drogisterij, nu een museum, bevond zich een kraam met antiek en curiosa. Er stonden flink wat mensen voor. Vlak bij Lioba ruzieden twee vrouwen om een geëmailleerde pannenset; een man keurde een olieverfschilderijtje en weer een andere vrouw, een sierbord ter gelegenheid van een koninklijk huwelijk stevig vasthoudend, speurde naar nog meer kostbaarheden. Steeds als iemand een stap opzij zette had Lioba een tel zicht op de voorwerpen in de kraam. Al snel viel haar oog op een beschuitbus met okergele korenaren en geometrische vlinders. Er stond met rode letters Puurt wat duurt op, in een lettertype dat ze plaatste in de jaren vijftig.

Ze wurmde zich tussen de vroege antiekjagers door naar voren. De bus kon ze goed gebruiken om losse ritsen en kaartjes met elastiek in op te bergen. Bovendien paste hij mooi bij de platte bonbontrommel – ook met een vlinderdecoratie,
maar uit de jaren twintig – waarin ze sinds de vorige rommelmarkt haar klosjes garen bewaarde. Helaas kaapte een dorpsgenoot het blik voor haar neus weg toen hij Lioba ernaar zag reiken. ‘Sorry, moppie,’ grijnsde hij bij het zien van de uitdrukking op haar gezicht. Hij klopte bemoedigend op haar blote schouder – ze rilde bij zijn aanraking – en bekeek haar decolleté aandachtig. ‘Veel plezier ermee,’ wenste het meisje hem nadrukkelijk toe. Ze slenterde verder over de markt en stopte pas weer tegen het einde ervan, bij een kraam met lederwaren. Er lag een oude koffer, gevuld met schoenen, en de luifel puilde aan weerszijden uit met tientallen handtassen uit de nalatenschap van een bejaarde  tasjesliefhebster die afgelopen winter was overleden. De ochtendzon weerkaatste op de nepgouden gespen.

Door al het bungelende leer zag Lioba pas op het laatste moment wie er achter de uitstaltafel naast de tassenkraam stond. Ze aarzelde een moment toen ze de bekende koperkleurig geverfde lokken zag, maar vrouw Troost, nog bezig
met uitpakken, had haar al gezien. ‘Hé, Lioba!’ zei ze vrolijk. Ze deed een oprechte poging niet te staren naar de jurk van haar jonge dorpsgenote. ‘Kijk eens wat voor moois we dit jaar hebben.’ Uit beleefdheid liet het meisje haar blik over de snuisterijen in de volgepakte kraam gaan, vurig hopend dat Dit Troost geen aanleiding zou vinden tot de zoveelste lofrede op haar zoon. De advocaatglaasjes en droogbloemenschilderijtjes waren niet erg interessant, maar achter een vaasje met een paar verweesde gebaksvorkjes ontdekte Lioba een kleine fles die al lang verkocht zou zijn geweest als hij in de antiekkraam had gelegen. Er zat een piepklein houten schip in, een kotter met drie beige zeiltjes.
‘Bijzonder, hè?’ zei Dit. ‘Daar moet iemand uren en uren aan hebben zitten priegelen.’ ‘Misschien een visser uit Stellendam,’ suggereerde Lioba, ‘die wekenlang het bed moest houden nadat hij een been had gebroken en toen met een dienblad op schoot aan het knutselen sloeg.’ Ze tilde het flessenscheepje uit de zee van afgedankte hebbedingetjes en bekeek het van dichtbij. Een van de zijzwaarden was afgebroken en lag op de golven van stopverf. Op het minuscule grootzeil had iemand met onbeholpen steken ‘1917’ geborduurd. ‘Of een militair,’ verzon ze, ‘die tijdens de mobilisatie hier op het eiland was ingekwartierd en maar zat te wachten op een oorlog die nooit kwam.’

Dit glimlachte. ‘Heb je al gehoord dat Ramses gaat afstuderen?’ informeerde ze ineens, net nu Lioba het niet meer verwachtte. De trotse moeder zette een porseleinen kattenbeeldje op de lege plek van het flessenschip. ‘Zijn ppgravingsstage zit er bijna op. Hij heeft zo’n indruk gemaakt dat ze hem daar willen houden.’
‘O, leuk,’ zei het meisje. ‘Wat kost het scheepje?’ Lioba was slechts een van de vele dorpelingen die jaarlijks vol verwachting uitkeken naar de laatste zaterdag van mei. De markt die op die dag werd gehouden, stak voor een  buitenstaander misschien niet uit boven het gros van Hollandse dorpsrommelmarkten, maar voor de inwoners van Oudering gold hij als een hoogtepunt in het jaar. Zelfs oud-Ouderingers kwamen ervoor terug naar het dorp waar ze nooit
meer zouden willen wonen.

Men kwam overigens niet voor de rommel, want dat werd elk jaar minder, maar voor de ijsjes van Pleuny Looij, de oliebollen van de zussen Lena Clara en Clara Lena, de bloemstukken en gehaakte spreien van de ijverige leden van de
vrouwenvereniging, de goudvissen en peperkoeken van Durk van Krijn van ’t Lage Pitje, de accordeonmelodieën van Ons Genoegen en de roddels van Sien Tuk. Maar bovenal kwam men voor het goede doel, keerde men de portemonnee
binnenstebuiten voor het goede doel, kocht men lootjes, boeken, mokken, puzzels, geraniums, handgebreide sokken en zelfgeknutselde beterschapskaarten voor het goede doel. Aan het einde van de dag klapte iedereen luid voor de geweldige
opbrengst (altijd meer dan vorig jaar) die volledig geschonken zou worden aan het goede doel. Niemand realiseerde zich dat de dorpsbewoners zélf hun goede doel waren. Dat de rommelmarkt de enige dag in het jaar was waarop de gesprekken niet eindigden met een variant op ‘Het Is Eén Bak Ellende’, ‘Ze Denken Alleen Aan Zichzelf’, ‘Zakkenvullers Zijn Het’ of – de klassieker – ‘Vroeger Was Het Beter’. Dankzij de rommelmarkt waren deze mensen in staat gedurende één dag uit te stijgen boven de middelmatige versie van zichzelf waarin ze de rest van het jaar bleven steken.

Onderweg naar het kerkeiland merkte Lioba hoe vele hoofden abrupt haar kant op draaiden als zij voorbijkwam, maar ze negeerde alle blikken geroutineerd, complimenteerde de drie smoezende dames achter de kraam van de vrouwenvereniging met hun nieuwe collectie stola’s en eierwarmers, en kocht een hele rits lootjes (hoofdprijs: een half varken) bij een jongetje dat ze eerder die week had zien wegrennen nadat er een kiezelsteentje tegen haar rug was geketst. Vlak bij de brug over de kerkgracht passeerde ze de plek waar ze in haar jeugd een knoop uit de Eerste Wereldoorlog had opgegraven, afkomstig van een Brits luchtmachtuniform. Toen destijds de riolering vernieuwd moest worden, was de Dorpsring wekenlang een bouwput geweest, die op de kinderen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefende. Terwijl hun klasgenootjes op blote voeten door het zand renden, gingen Ramses Troost en Lioba Hoogenboom op zoek naar schatten uit het verleden.
Haar knoop was de meest opzienbarende vondst geweest.

De stalen platen van de brug veerden licht onder de voeten van het meisje. Ze kwam uit op een schelpenpad dat langs de muziekkoepel en het oorlogsmonument voerde naar het grasveld achter de kerk. Daar stond, tussen twee oude perenbomen
in, de legertent van het ‘Stijlteam Oudering’. Hij was strategisch tegenover het terras van de patatkraam geplaatst, zodat de nietsvermoedende patateters als publiek konden dienen bij de modeshows waarin de make-oversessies van het stijlteam moesten uitmonden.

In de tent trof Lioba drie leeftijdsgenotes aan. Ze zaten aan een campingtafel, omringd door rekken met hoogwaardige tweedehands kleding: spijkerjasjes, zwarte jurkjes, omslagrokken. Zelf hadden de meisjes hun plompe figuren in  behoorlijk strakke outfits gehesen. De lage uitsnedes van hun shirtjes onthulden ingewikkelde bandjesconstructies. ‘Goedemorgen,’ zei Lioba. Het ergerde haar dat ze niet meteen naar binnen durfde te stappen. ‘Hoi,’ groette slechts een van de meisjes terug, met een schuine blik op Lioba’s nieuwste creatie. De anderen waren te zeer verwikkeld in een belangrijke discussie om te kunnen reageren.
‘Grote vrouwen moeten grote prints dragen, dat weet toch iedereen?’ beweerde C, een meisje dat in groep zes met viltstift een varken op Lioba’s tas had getekend. ‘Nee, kleine juist, dan lijken ze smaller,’ betoogde N, die Lioba’s hoofd ooit had gebruikt om haar beperkte kapperstalent op te demonstreren.
‘Sorry dat ik zo laat ben,’ onderbrak de indringster. ‘Wat kan ík doen?’ ‘We zijn nog niet open,’ zei C zonder op te kijken. Ze wendde zich tot F: ‘Wat denk jij, grote toch?’ ‘Ik zou zeggen: zwart. Dat slankt het meeste af,’ zei F.

‘Zal ik het bord vast buitenzetten?’ stelde Lioba voor. ‘Het is al aardig druk op het dorp.’
Ineens draaiden de meisjes haar kant op. De grote gouden ringen in hun oren bungelden verschrikt. ‘Jij had vandaag toch wat anders?’ zei C. ‘Moest je niet werken?’ zei F. ‘Nee, ze had iets op de modeacademie,’ herinnerde N zich.
‘Auditie bedoel je?’ vroeg F.
‘Auditie op de modeacademie, dat was het,’ zei N.
‘Het toelatingsexamen is allang geweest. Ik heb vandaag alle tijd.’ Het klonk minder luchtig dan Lioba had gehoopt.
‘O.’ F liet een stilte vallen.
‘Maar ik heb speciaal vrij genomen om je te vervangen,’ zei C. Ze trok een moeilijk gezicht.
‘En met zijn vieren is denk ik nét te druk,’ zei F.
‘Zo groot is de tent nou ook weer niet,’ zei N.
Verbijsterd keek Lioba haar oud-klasgenotes aan. Niks veranderd in tien jaar tijd.
‘Je kunt vast nog wel ergens anders helpen,’ opperde C.
‘Ja. Bij de patat hadden ze nog mensen nodig.’
‘Met zo’n gevaarte van een jurk past ze nooit in die frietkar.’
‘Dan gaat ze maar naar de campingspullen. Daar is ruimte zat.’
Niemand merkte hoe strak Lioba’s handen de lp en het flessenscheepje omklemden toen ze het dorp verliet. Ze liep uiterst beheerst naar het donkere slop dat van de Dorpsring naar de Kaatsbaan leidde, probeerde haar grieven weg te slikken
en stak toen met een effen gezicht de Molenweg over.  Aan het einde van de straat nam ze linksaf de Molendijk, die ze volgde tot de Zeedijk, de zuidelijke grens van het eiland. Na anderhalve kilometer over de dijk naderde ze haar huis.
Pas toen brak haar masker. Bij het stalen boerderijhek stond Lioba stil. De grammofoonplaat gleed onder haar arm vandaan terwijl ze naar de donkergroene brievenbus aan de rand van het erf staarde. Het werd met de dag moeilijker te kijken of er wat in zat. Meestal wachtte ze tot Brok eindelijk bedacht de post te gaan ophalen. Maar vandaag was haar grootvader naar een kameraad die in het zuiden van Brabant woonde. Het zou nachtwerk orden voordat de op zonnebloemolie ronkende pickuptruck met zijn karakteristieke friteusegeur het erf weer op zou rijden.

Zes weken… zo lang duurde het al die andere keren ook. Wat zou de uitslag van dit examen zijn? Waren haar schetsen origineler geweest, had ze blijk gegeven van authentiek talent, stond ze open voor experiment? Al vier jaar werkte ze
bijna dagelijks in het dorpsmuseum en gaf ze al haar geld uit aan avondcursussen, openbare masterclasses, materialen en catalogi van mode-exposities. Tot diep in de nacht werkte ze aan haar creaties, maar keer op keer zat er in de
toelatingscommissie niemand die iets zag in haar papieren jurken – of ze nu waren gemaakt van oude zeekaarten of van Japans moerbeischorspapier. Te conceptueel, vonden de modeopleidingen. Te eenzijdig, meenden de kunstacademies.

Maar deze keer móést het genoeg zijn. Lioba kon het dorp waar ze slechts één vriend had gehad niet meer verdragen. Ze werd er doodziek van dat iedereen haar nastaarde alsof ze van het andere eiland kwam, of nog erger: uit de stad.
Zelfs tijdens de drukke kerstnachtdienst – een ander hoogtepunt op de Ouderingse kalender – ging er nooit iemand naast haar zitten. Elk jaar stond ze na afloop met een glas glühwein in het kerkportaal te verkleumen, terwijl haar
dorpsgenoten bij vuurkorven het toneelstukje van de jeugd bespraken. Niemand vroeg ooit wat zij ervan had gevonden. Alleen Dit Troost zei haar gedag, en misschien kwam een van de schapen van Looij, onderdeel van de levende kerststal,
haar gezelschap houden. Hoe moest ze nóg een jaar vol met zulke momenten van buitensluiting verdagen? En waar moest ze de energie vandaan halen zich wéér twaalf maanden lang dag na dag te laten opsluiten in dat bastion van vergane glorie, met zijn gesteven gordijntjes en verbleekte bordjes, als ze nu al met de grootste moeite het einde van haar werkweek haalde?

Toen ze net van school kwam, had ze haar tijd nog graag doorgebracht tussen de metalen reclameborden en de vitrinekasten, gevuld met een eeuw aan schoonheidsproducten. Toen dienden de oude verpakkingen als inspiratie voor haar
schetsen. Maar de overdaad aan reeds lang gestorven parfums van witte seringen en lelietjes-van-dalen was Lioba steeds meer gaan tegenstaan. Inmiddels walgde ze zo van de bedompte onderwereldgeuren die haar bij binnenkomst overmeesterden, dat het een enorme opluchting zou zijn als iemand haar op een ochtend zou bellen met de mededeling dat de hoogbejaarde museumeigenaresse was vergeten de kraan van haar badkuip dicht te draaien en dat gedurende de
nacht al die oude rotzooi van Boldoot, Vinolia, Lux, Castella en Avon in één weergaloze schuimmassa ten onder was gegaan. Met een hand vol zwarte vegen van uitgelopen make-up klapte Lioba het deksel van de brievenbus open. Ze herkende
het beeldmerk op het poststuk dat erin lag onmiddellijk.

Als ze nu te lang wachtte, zou ze de brief niet open durven maken. Ze klemde het flessenschip onder haar arm en duwde haar nagel onder het lipje van de envelop. Er kwamen twee blaadjes tevoorschijn. Dat was voor het eerst. Ze vouwde
de papieren open in de vrees opnieuw geconfronteerd te worden met die drie genadeloze woorden. Tot. Onze. Spijt. Ze zouden de titel van een thriller kunnen vormen. tot onze spijt, door Lioba Hoogenboom Net wanneer rechercheur Johnny op het punt staat een ingewikkelde moord op te lossen, neemt zijn baas hem de zaak uit handen. Als een andere agent vervolgens met Johnny’s eer gaat strijken, wil de jonge politieman maar één ding: wraak.

Daar ging haar fantasie weer. Dat kreeg je ervan als de werkelijkheid te grauw voor woorden was. Lioba richtte haar aandacht opnieuw op de brief en wierp een vluchtige blik op het tweede vel. Bovenaan stond: B EOORDE L INGS – FORMUL IER. Eronder: eigen administratie; niet bedoeld voor de aspirant-student. Het meisje ademde diep uit, zoals ze tijdens een yogacursus had geleerd. Bedaard vouwde ze de a4-tjes op, deed ze terug in de envelop, de envelop terug in de  brievenbus, haar dromen terug in haar hart – in het doosje met relikwieën uit haar kindertijd waar ze hoorden. Zit vast in een eigen wereld.

Terwijl Lioba zich omdraaide en met de fles in de hand in de richting van de dijk liep, vouwden de weelderige pioenrozen bij het hek zich terug in hun knoppen, vlogen de meeuwen achterstevoren terug naar de Noordzee en veranderde het met zoveel zweet en gebroken ruggen ingepolderde land weer in water. Mist een kunstenaarsmentaliteit.
Aan de andere kant van de dijk lag het gors, een buitendijks natuurgebied van driehonderd hectare dat vóór de afsluiting van het Haringvliet bij vloed overstroomde met zeewater.

Bij eb trok het water zich terug in kronkelende kreken en kon je een heel eind over de slikken en zandplaten lopen in de richting van Goeree-Overflakkee, ‘het andere eiland’, zoals men op Voorne zei, of kortweg: ‘Flakkee’. De bouw van de dam in de jaren zestig had de zeearm afgekneld; het Haringvliet was zoet geworden en de getijden waren verdwenen. Sindsdien was het met riet begroeide gors verruigd. Struweel en grasland verdrongen de velden van vroeger, waar zeekraal, zulte en lamsoor hadden gegroeid. Op de uiterste grens van het land liet Lioba haar espadrilles achter en schortte ze haar rok op. Ze liep enkele meters het water in. De kou omklemde haar benen en haar voeten zakten weg in tintelzachte modder. Ze hurkte en liet het flessenscheepje drijven. De bolle fles helde achterover en gleed langzaam af naar het oosten; Lioba waadde erachteraan. Wat wil zo’n meisje? Ze liep achter de rietkragen langs die de oever verborgen hielden en moest haar rok tot boven haar heupen omhooghouden om een diepe geul over te steken.

Braafjes. Ze was niet de enige die het water had opgezocht op deze zaterdagochtend, maar ze luisterde niet naar de kreten die vanaf passerende plezierboten kwamen. Toen de fles naar een smalle doorgang tussen het riet koerste, verdween
ook Lioba uit het zicht. Voorspelbaar. Clichématig.
De manshoge rietstengels groeiden zo dicht op elkaar dat het meisje aan alle kanten omheind werd door blonde en lichtgroene stelen. Ze bezeerde haar voeten aan de stoppels die onder water verstopt lagen en boog zich voorover om de
fles, die nauwelijks nog vooruitkwam, op te rapen. Enkele meters verder verzandde het waterpad. Lioba probeerde boven het riet uit te springen om te zien welke kant ze op moest, maar de pluimen waren te hoog en ze haalde zich open aan een scherpe rietstam. Ze oriënteerde zich op de fletse zon die af en toe tevoorschijn kwam tussen snel voorbijdrijvende wolkenmassa’s en vervolgde stap voor stap haar weg door het rietbos. Met haar soepele tenen – ook yoga – maakte ze een pad door de halmen steeds tegen de grond te duwen. Dansmuggen zweefden voor haar uit alsof ze haar een richting wezen. Aanlandige wind joeg de hoge toppen van de rietpluimen alle kanten op.

Niet veel later bereikte de mislukte modeontwerpster de rand van het rietbos, niet de noordelijke, maar de oostelijke, en stond ze ineens op een smalle strook hoger gelegen slik die na enkele meters alweer omlaag zakte om over te gaan in
een volgend rietbos. Ook rechts groeide nog riet, maar niet zo dicht op elkaar als achter haar: hier glinsterde tussen de stengels door het wateroppervlak van het Haringvliet. Ergens links moest de dijk liggen, maar door jonge bomen en
woeste struiken werd hij aan het zicht onttrokken.

Lioba was niet de eerste die op deze natuurlijke verhoging in het landschap was gestrand: recht voor haar lag een oude sloep zonder roeispanen, zo te zien al decennia in onbruik. Bij de achtersteven bevonden zich de resten van een verlaten eendennest en op de overnaads gebouwde romp stond een halfvergane naam (hms Argo?). Afgezien van twee dwars geplaatste planken die dienden als zitbanken, was de roeiboot leeg.

Ze ging op de voorste plank zitten met haar gezicht naar het water, en deed haar armen over elkaar; het vederlich te flessenscheepje lag op haar schoot. Terwijl ze zo zat, vernauwden haar ogen zich tot spleetjes en begonnen haar gedachten te groeien, steeds hoger, tot ze ver boven haar hoofd uitstaken als rietstengels, hoewel sommige meer weg hadden van berenklauw – zoals ze woekerden en verlamden. Haar frêle lijf gleed van het bankje naar de bodem van de
boot. Moe van haar bestaan trok Lioba zich terug in de luwte van haar verbeelding, waar hms Argo een Engels oorlogsschip uit de Eerste Wereldoorlog was dat in het voorjaar van 1917 voor de kust van Voorne op een Duitse mijn liep – en zij
de vrouw die ’s nachts wakker schrok van de explosie op zee en later bij de dijk het aangespoelde lichaam vond van een matroos, die te Oudering werd begraven onder een houten kruis waarop de vindster Here lies one whose name was writ in water schreef. Het grafschrift dat een Engelse dichter bijna een eeuw eerder voor zichzelf had gewenst.

Het was geen bewuste keuze om in de boot te blijven liggen; het gebeurde omdat er niets anders gebeurde. Lioba verstopte zich in de hoeken van haar dromerige lichaam. Ze negeerde haar dorst en de weeïge geur van de patatfabriek verderop in de polder. Vele uren gingen voorbij, maar gaandeweg vervloog het besef van tijd. Ook het besef van plaats verdween uiteindelijk in een non-descript vacuüm. Toen de avond viel, lag Lioba nog steeds waar ze lag en wees niets erop
dat ze binnen afzienbare tijd zou opstaan en terugkeren naar de plaats waar ze vandaan was gekomen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *