De duivel komt naar Orekhovo – David Benioff

Op 6 september komt de Nederlandse vertaling van David Benioffs “De duivel komt naar Orekhovo” uit. Voor die tijd kun je alvast een begin maken, want we hebben een voorpublicatie weten te verkrijgen. Veel leesplezier met het begin van dit boek over de slangenkuil die “showbusiness” heet.

Als de negens doorrollen

SadJoe is een rocker, betaalt zijn huur te laat
En als die nog veel hoger wordt, dan staat hij straks op straat
Altijd zit het tegen, steeds gaat hij op zijn bek
Van zijn teefje Candy staat een tattoo in zijn nek
Hij belt z’n meisje bij de nachtclub als hij zich verveelt
Ze laat hem gratis binnen als er weer een bandje speelt
Dus hef het glas op SadJoe, want hij gaat in vrije val,
Eenmaal, andermaal, hij gaat, maar met een knal!

De zangeres had uitstraling. Ze was geen schoonheid en ze raakte niet alle noten zuiver, maar ze had uitstraling. Tabatsjnik hield haar in de gaten. God, wat kon die meid gillen. Nu en dan bestudeerde hij de jonge gezichten in het publiek. De manier waarop de jongeren naar haar staarden – achterin sprongen ze
zelfs op en neer om haar beter te kunnen zien – bevestigde zijn onderbuikgevoel. Dat meisje was een spaarvarken dat je alleen nog maar stuk hoefde te slaan.


Tabatsjnik en een stinkende Australiër stonden naast het podium voor een deur met het opschrift uitsluitend bestemd voor personeel van de redrüm! De meeste jongeren in de Redrüm waren gekomen voor de hoofdact, Postfunk Jemimah, maar het voorprogramma, de Taints, dreigde de show te stelen. Er was geen sprake van slamdancen, crowdsurfen of stagediven – iedereen knikte mee op de beat van de drummer en keek naar de zangeres. Die sloop als een roofdier over het podium,
gekleed in een met zilverdraad doorregen, flessengroene minijurk, die zo kort was dat Tabatsjnik zich telkens door zijn knieën liet zakken en zijn hoofd scheef hield om te zien of hij een glimp kon opvangen van haar slipje. Hij kon geen glimp opvangen van haar slipje.

Toen de band de song had afgerond, wendde Tabatsjnik zich tot de Australiër en vroeg: ‘Hoe heet dat nummer?’ De Australiër had kortgeleden een onafhankelijk label opgericht onder de naam Loving Cup Records. De Taints was de eerste band die hij had gecontracteerd. Zijn hoofd was kaalgeschoren en zijn zwarte trainingspak stonk naar zweet en sigarettenrook.
‘Mooi, hè? Ballad of SadJoe. SadJoe is de drummer. Hij heeft de band opgericht.’
‘Wie schrijft de songs?’
‘Molly,’ zei de Australiër, wijzend naar de leadzangeres. ‘Molly
Minx.’
Ze zag er niet uit als een Molly Minx. Tabatsjnik wist niet goed hoe een Molly Minx er dan wel uit hoorde te zien, maar zo niet. Hij vermoedde dat ze Thais was. Haar haar was heel kort geknipt en geblondeerd. Een getatoeëerde zwarte draak kronkelde zich om haar pols.
‘Het verhaal erachter,’ ging de Australiër verder, ‘is dat ze verliefd is op SadJoe en dat ze die song schrijft en op een avond voor hem zingt. Zomaar op straat, een serenade. Dus, je weet wel, liefde. Boem. En dan vraagt hij haar voor de band.’

Tot die avond had Tabatsjnik nog nooit van de Australiër gehoord, wat betekende dat die er in de muziekindustrie niet toe deed. Wat voor contract Loving Cup Records ook met de band had, het was waarschijnlijk een vod dat op een avond in elkaar was geflanst door een advocaat die stijf stond van de cocaïne en pas bij zijn derde poging was geslaagd voor het toelatingsexamen van de Orde van Advocaten. Dat vermoedde Tabatsjnik althans, en meestal had hij gelijk wat dergelijke zaken betrof.

Geld verdienen aan muzikanten was zo simpel dat derderangszwendelaars over de hele wereld dachten het te kunnen; ze zwermden om talentloze bandjes heen als dikke huisvrouwen om fruitautomaten, dronken goedkoop bier en wisselden geruchten uit over gigantisch hoge winsten. Derderangszwendelaars werden onherroepelijk belazerd door tweederangszwendelaars – tenzij ze de pech hadden ten prooi te vallen aan een echte prof.

Zodra de Taints de set hadden afgerond, trok Tabatsjnik zich met de Australiër terug in de viproom. Hij rekende erop dat de man een joint zou opsteken en hem een hijs zou aanbieden; toen dat inderdaad gebeurde, schudde Tabatsjnik zijn hoofd en nam hij nog een slokje mineraalwater.
‘Groot gelijk,’ zei de Australiër, die achteroverleunde op de gecapitonneerde bank. Hij nam een trek van de joint en hield de rook zo lang in zijn longen, dat het even leek of hij was vergeten dat hij ook weer moest uitademen. Uiteindelijk blies hij de rook door zijn neusgaten uit, in twee pluimpjes die naar
het plafond kringelden. Het was een indrukwekkend gebaar en Tabatsjnik stelde het op prijs – Australiërs deden altijd van dat soort rare dingen – maar het had geen zin. Hij zou zich niet met Loving Cup Records inlaten tenzij het absoluut noodzakelijk was, en op dat moment betwijfelde hij dat.
‘Groot gelijk,’ herhaalde de Australiër. ‘Je wilt het hoofd koel houden voor de onderhandelingen.’
‘Welke onderhandelingen?’
De Australiër glimlachte sluw en bestudeerde de askegel van zijn joint. Hij had Tabatsjnik verteld hoe hij heette. Tabatsjnik vergat nooit een naam, maar voor hem was de Australiër gewoon ‘de Australiër’. Hij wist zeker dat hij voor de Australiër gewoon ‘een groot label’ was, maar uiteindelijk zou hij ‘die
klootzak van een Tabatsjnik’ worden.
‘Oké,’ zei de Australiër. ‘Dan praten we gewoon wat.’
‘Waar zullen we het over hebben?’
‘Kom nou, kom nou. Hou op met die spelletjes. Je bent hier voor de band.’
‘Ik begrijp het even niet. Heb jij Postfunk Jemimah onder contract?’
De Australiër tuurde door het waas van rook. ‘De Taints.’
‘Waar hebben we het dan over? Ik ben hier voor Postfunk Jemimah.’
‘Je vindt de Taints goed,’ zei de Australiër met een berispend vingertje, alsof Tabatsjnik een ondeugend kind was. ‘Ik zag je wel naar het publiek kijken. Nou, wil je ze hebben of niet?’
‘Wie?’
‘De Taints.’

Tabatsjnik toonde zijn versie van een glimlach: lippen op elkaar, halvemaanvormig kuiltje in de linkerwang. ‘We voeren een gesprek, maar we praten langs elkaar heen. Ik ben gekomen voor Postfunk Jemimah.’
‘Te laat, gast. Ze hebben een contract voor zes plus één getekend bij Sphere.’
‘Klopt,’ zei Tabatsjnik; hij liet de ijsklontjes in zijn glas rammelen.
‘En wij kopen Sphere op.’
De Australiër opende zijn mond, sloot hem en opende hem opnieuw. ‘Jullie kopen Sphere op? Ik heb Greenberg twee dagen geleden nog gezien bij de VelVet. Hij heeft er geen woord over
gezegd.’
‘Wie is Greenberg?’
De Australiër lachte. ‘De directeur van Sphere.’
‘Greenspón. En hij is wettelijk verplicht zijn mond te houden.
Ik overtreed de wet door het jou te vertellen, maar’ – Tabatsjnik gebaarde met zijn vrije hand naar de lege kamer – ‘ik weet dat
ik je kan vertrouwen.’
De Australiër knikte plechtig en nam nog een lange hijs.

Tabatsjnik schatte dat hij achtenveertig uur nodig had om het meisje binnen te halen. Als dat flutlabel er lucht van kreeg dat hij belangstelling voor haar had, konden ze haar aan de ketting leggen, haar contract aanpassen, en daar zat hij niet op te wachten. In dat geval moest hij Loving Cup namelijk uitkopen, en Tabatsjnik had er een hekel aan om tussenpersonen geld toe te schuiven. Als hij heel eerlijk was, moest hij toegeven dat de muzikanten de muziek maakten, dat de klanten de muziek kochten en dat iedereen die ertussenin zat, Tabatsjnik incluis, een tussenpersoon was. Maar Tabatsjnik geloofde niet in eerlijkheid.
Er waren kleine oneerlijkheden en grote oneerlijkheden, maar eerlijkheid bestond niet.
‘Ik kan je voorstellen aan Heaney,’ zei de Australiër, wanhopig op zoek naar een manier om de situatie naar zijn hand te zetten.
‘Hij is de manager van Postfunk Jemimah.’
‘Ja, ik ben gisteren met hem uit eten geweest. Maar toch bedankt.’ Opnieuw glimlachte Tabatsjnik met opeengeklemde lippen. Zo glimlachte hij altijd, want tot een paar maanden geleden had Tabatsjnik een beugel gehad. Twee jaar lang had hij dat ding gedragen, omdat zijn tanden zo scheef waren gaan staan dat hij tot bloedens toe de binnenkant van zijn wangen en lippen stukbeet wanneer hij at. Nu stonden zijn tanden recht en was de beugel eruit, maar hij had zichzelf aangeleerd om met zijn mond dicht te lachen en te glimlachen.

Eigenlijk was het de bedoeling dat hij op zijn twaalfde een beugel zou krijgen, zoals iedere gewone Amerikaan, maar zijn vader en moeder, die het jaar ervoor uit elkaar waren gegaan, bleven maar bekvechten over wie ervoor moest opdraaien.
‘Straks ziet je enige zoon eruit als een Engelse bookmaker,’ zei zijn moeder dan aan de telefoon, terwijl ze een sigaret rookte en naar Tabatsjnik zwaaide toen ze zag dat hij meeluisterde. ‘Sorry hoor, sórry hoor, ik wil best werken, maar weet je waarom ik dat niet doe? Enig idee wie zich de afgelopen twaalf jaar om de opvoeding van onze zoon heeft bekommerd?’


Lees “De duivel komt naar Orekhovo” zelf!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *