Wat alleen de roman kan zeggen – Oek de Jong

Titel:  Wat alleen de roman kan zeggen
Auteur:  Oek de Jong
Uitgever:  Atlas Contact/ Augustus
ISBN:  978 90 254 4213 2

Een groot schrijver reflecteert op zijn tijd. De schrijver leert van en put uit de geschiedenis en heeft een visie over toekomstige ontwikkelingen. Oek de Jong beschrijft rol van de schrijver als volgt: “om via het verhaal van individuele lotgevallen de grote thema’s van zijn tijd op het spoor te komen, om zijn eigen tijd te mythologiseren en in de mythe te vereeuwigen.(p.40) ”

De maatschappelijke positie van de schrijver en de hieruit voortkomende status is deels gebaseerd op hoe de schrijver zijn lezers aanmoedigt om grenzen te verkennen en ze t beweegt om deze te overschrijden en zodoende een nieuwe wereld aan gedachtegangen te openbaren. Hiermee is een schrijver niet alleen een persoon die nieuwe werelden creëert, de fantasie en verbeelding prikkelt, maar ook iemand die een voortouw neemt in het maatschappelijk, filosofische debat over de ontwikkeling van de cultuur. En met name, over de positie van de roman. Hoe zal deze kunstvorm gedijen in het digitale tijdperk met explosieve groei van beeldcultuur, waar het concurreert met (sociale) media als Youtube?

Om schrijvers hiervoor een podium te bieden, is uitgeverij Athenaeum een essayreeks begonnen “over de roman”. Het vijfde boek in de reeks is uitgegeven door AtlasContact, omdat dit de uitgeverij is waar Oek de Jong :”thuis” is. “Wat alleen de roman kan zeggen” is volgt op werken van A.F.Th van der Heijden, Connie Palmen, Bas Heijne en Marcel Mörning.  Oek de Jong deelt hier in 95 pagina’s zijn standpunt.  Hijzelf wil niet het woord lofzang in de mond nemen, maar feitelijk komt het daar wel op neer, want hij ziet de roman als het medium waarin ‘werkelijk alles een plaats kan krijgen’. Oek de Jong gaat opzoek naar het unieke en onvervangbare van de roman. Waarin is het onderscheidend? Wat is de specifieke (meer)waarde?

Kracht is een belangrijk begrip in zijn essay. Oek de Jong wil de kracht van de roman typeren en refereert daarmee naar:

  1. de mogelijkheid tot introspectie. Een nieuwe en scherpere blik op onze binnenwereld(verbeelding van het intieme)/ de ziel van personages (monologue interieur);
  2. toegang tot het tijdloze;
  3. fascinatie voor de gereproduceerde werkelijkheid;
  4. er dagenlang in opgaan;
  5. de ‘poort’ naar de ruimte van je ziel – mijmeringen;
  6. sensibiliteit (het onbekende) ontdekken;
  7. blik verscherpen, inzicht verdiepen en bewustzijn vergroten;
  8. stijl, gekenmerkt door blijvende esthetische waarde (het doorstaan van de tand des tijds): het basis ingrediënt voor ‘wie schrijft, die blijft.’

Schrijvers staan op elkaars schouders. Vernieuwers kennen hun klassieken. Een rake constatering is dat literatuur een ‘uitdijende, niet omvattende hoeveelheid aan klassieken’ heeft, waarin men ondertussen zijn eigen keuzes moet maken. Tot de literatuur ‘familie’ van Oek de Jong horen Homerus, Ovidius, Dante, Stendhal, Tolstoj, Dostojevski, James Joyce en Proust. Dit maakt het lezen van het essay een feest van herkenning, waarin oude bekenden even gedag gezeggen en kort geanalyseerd worden om hun kracht. Tot zijn canon behoren slechts enkele hedendaagse schrijvers als Franzen en Roth.

Daarnaast speelt behoefte een belangrijke rol. Behoefte aan verhalen (niet voor niets maakt storytelling binnen het bedrijfsleven een opmars), om betoverd te worden. Maar is beeld daar niet veel geschikter voor? Als antwoord daarop contacteert Oek de Jong: “fictie schrijven is een vorm van beeldend denken (p.42)”

Oek de Jong is ambivalent aangaande de vernieuwingsdrift: een idealisme naar een hogere vorm. Een behoefte aan nieuwe vormen en verschillende leesroutes. Dit essay sluit aan bij de trend van micro-content door onder de 100 pagina’s te blijven. Wellicht is het een verschuiving van de roman naar de novelle, maar beide vertellen een verhaal en kunnen het binnenste bloot leggen. Het onderscheid hierin is moeilijk aan te geven. Waarschijnlijk zal er steeds meer ingespeeld worden in de behoefte van kort, krachtig, maar prachtig.

Wat hiermee wel verloren gaat is het argument dat Oek de Jong aanhaalt als unieke karakteristering van de roman: het is de enige kunstvorm waarmee je jezelf zoveel tijd ‘actief’ omringt. Hij schrijft: “Een boek missen als het uit hebt- dat is de mooiste liefdesverklaring aan een roman”” (p.23). Een boek dat je twee, drie weken vergezelt en je gedachten bezig houdt. De personages worden bekenden en je leeft met ze mee. Deze kracht mist bij de film, muziek en schilderkunst.  Dit geeft tegelijkertijd een argument voor het papieren boek: door de duur dat het boek bij je is op (verschillende) plekken met bijbehorende mijmeringen, gevoelens en herinneringen wil je het graag tastbaar hebben.

Uiteraard komt ook cultuurpessimisme meerdere malen voorbij: is de roman niet gewoon uitstervend? Gaandeweg het boek gaan de argumenten van doemdenken naar kans denken. Oek de Jong voorziet een grote markt in vertalingen, waardoor romanschrijvers steeds vaker wereldwijd gelezen zullen worden. Maar de hoop komt vooral uit de volgende constatering: “ondanks geweld en vernietiging, ondanks alle onwetendheid en ongeletterdheid, overleeft steeds de literatuur…uit het dagelijks leven willen stappen en een ruimere wereld willen betreden door de betovering van de taal (p.88).”

Terwijl hij zijn betoog opbouwt, krijgt de lezer inzicht in het schrijfproces van Oek de Jong: de schrijver. Welke keuzes heeft hij gemaakt in zijn loopbaan, door wie is hij beïnvloed en wat zijn zijn geleerde lessen? Hiermee is het essay tegelijkertijd een reflectie op de romankunst als een memoires, waarin Oek de Jong zijn eigen werkproces langs de lat legt en verzeilt in mijmering over het overstijgen van het realisme en het bereiken van een droomvorm. Soms stokt de gedachtegang van Oek de Jong, terwijl je als lezer hunkert naar een vervolg: waarheen? Het licht in de tunnel is er, maar je moet de weg zelf verkennen. En waarschijnlijk is dat juist de bedoeling: je aanzetten tot denken in plaats van een voorgekauwde interpretatie.

Dit dunne boekje, waar zelfs in een ‘gehaast leven’ twee uurtjes voor te vinden zijn, is een aanrader voor elke literatuur liefhebber en aspirant schrijver met de pretentie van een romanschrijver. Het essay laat je even ‘ontvluchten’ naar een nostalgische omgeving van literaire salons. Neem Parijs, de jaren 20, waar romanciers, dichters en bewonderaars samendromden om hun gedachten te delen en elkaar met woorden te bevechten. Oek de Jong nodigt je uit om je gedachten over dit onderwerp sterker te vormen. Onze binnenwereld is niet te filmen, dat kan voor eeuwig alleen een roman zeggen.

Waardering: 8/10


Lees “Wat alleen de roman kan zeggen” zelf!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *